weebly reliable statistics
Barry Kouwenberg - Moordzaken
Barry Kouwenberg

Uit Moordzaken

Ga naar: navigatie, zoeken
BarryKouwenberg.jpg
 
Barry Kouwenberg
Leeftijd 22 jaar
Datum 29 september 2011
Moordplaats Zevenbergen
Moordwijze Schietwapen
Status Opgelost
ECLI ECLI:NL:GHSHE:2012:BY1116

Op 23 september 2011 is de 22-jarige Barry Kouwenberg in de war. Barry heeft last van waanideeën en besluit op 23 september 2011 een eind aan zijn leven te maken met een mes in de woning van zijn grootouders in Zevenbergen. De grootouders van Barry proberen dit te voorkomen, waarbij zij licht-gewond raken. De politie wordt ingeschakeld om Barry te kalmeren. Zij houden er echter geen rekening mee dat Barry ernstig in de war is, en de politie besluit een hond op Barry af te sturen om hem tijdelijk uit te schakelen. Barry steekt de hond, zeer waarschijnlijk in blinde paniek, neer.

Hierop schiet de politie op Barry. Zij mikken op zijn benen. Barry raakt ernstig gewond en wordt naar het ziekenhuis gebracht. Daar overlijdt hij zes dagen later, op 29 september 2011, aan zijn verwondingen.


Onderzoek

Er wordt een onderzoek gestart naar de werkwijze van de agenten.


Uitspraak

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 23 oktober 2012


Het hof is van oordeel dat - in zijn algemeenheid - niet gesteld kan worden dat onder deze omstandigheden het gebruik van het dienstpistool disproportioneel is. Samengevat betreft de feitelijke situatie: een verdachte die twee mensen heeft gestoken, niet meewerkt aan zijn aanhouding, met een mes diverse keren stekende bewegingen maakt naar de verbalisanten, niet reageert op pepperspray, niet te kalmeren lijkt en vervolgens dreigend met een mes naar buiten komt en niet bereid is dat mes te laten vallen, terwijl er, afgezien van de verbalisanten, ook nog mensen in de naaste omgeving staan die bescherming behoeven.

Desalniettemin is de vraag aan de orde of een eventuele disproportionaliteit van het vuurwapengebruik mogelijk wel zou moeten gelden voor het laatste schot - het vijfde - waarbij P in zijn romp wordt geraakt, welke verwonding kennelijk aanwijsbaar tot het overlijden van P heeft geleid.

Het hof merkt daarbij allereerst op dat de verklaringen van de getuigen en beklaagden, in onderling verband en samenhang beschouwd, onvoldoende grond bieden voor de stelling van klager dat er nog gericht op P is geschoten nadat deze op de grond was geknield of gevallen was. De schoten volgden uiterst kort op elkaar, zij het met een iets langere interval tussen het vierde en het vijfde schot en, volgens een aantal getuigen, leek P zich door de schoten niet te laten weerhouden en bleef hij, ondanks de verwonding aan zijn onderbeen, doorlopen. Daarbij komt dat P met zijn mes in de richting van verbalisant C liep, die aan het eind van het tuinpad stond met in zijn ene hand de lijn van de hond en aan zijn andere hand het protectieschild. Een situatie die door de beklaagden - elk afzonderlijk - als uiterst bedreigend voor hun collega werd ingeschat en die, gelet op alle omstandigheden van het geval, naar het oordeel van het hof voor beide beklaagden een beroep op een noodweersituatie rechtvaardigen kan. Van een bewust gecoördineerde actie van of een gerichte taakverdeling tussen beide beklaagden voor wat betreft het uiteindelijk tegelijkertijd lossen van een aantal schoten om P tot staan te brengen, is overigens op generlei wijze gebleken. Elke beklaagde heeft voor zichzelf gehandeld in een zich ontwikkelende noodweersituatie die niet anders oplosbaar bleek.

Het hof wil bij het oordeel dat gebaseerd is op de proportionaliteit van het vuurwapengebruik en de noodweersituatie nog een kanttekening plaatsen. De bedreigende situatie heeft zich uiteindelijk zeer snel ontwikkeld tot het moment waarop de noodzaak om P effectief tot staan te brengen onafwendbaar was. Dat doel kon naar het oordeel van de verbalisanten niet meer op een andere manier worden bereikt dan door het gebruik van (vuurwapen)geweld. De betrokken verbalisanten zijn, onder omstandigheden als de onderhavige, bevoegd een vuurwapen te gebruiken. Bij bevoegd vuurwapengebruik is het schieten geen wederrechtelijke handeling en daardoor kan in die situatie geen sprake zijn van het strafbare feit ‘doodslag’. Zou het in een klachtzaak als de onderhavige tot een last tot vervolging komen, dan gaat de vraag of sprake is van een strafbaar feit uiteraard vooraf aan de beoordeling of er sprake is van een strafuitsluitingsgrond in de zin van een noodweersituatie, als door het hof in de voorgaande alinea’s aangeduid.

Voorts overweegt het hof dat de verklaringen in het dossier onvoldoende steun bieden aan de stelling van klager dat P, na het schieten en nadat hij was gevallen, nog door één van de beklaagden zou zijn geschopt. Wel verklaart beklaagde A dat, nadat P het mes 10 of 15 cm van hem vandaan had gegooid, C het mes heeft weggeschopt, hetgeen ook C zelf verklaart.

Ten slotte is het hof van oordeel dat, voor zover van de zijde van klager is bedoeld te stellen dat beklaagde B niet bekwaam genoeg was in schieten en daarom niet van zijn vuurwapen gebruik had mogen maken, uit de stukken blijkt dat beklaagde B aan alle daartoe te stellen eisen heeft voldaan.

Naar het oordeel van het hof is niet te verwachten dat verder onderzoek, bijvoorbeeld in de vorm van een nog te houden reconstructie, nader bewijs zal bijbrengen voor de door klager gestelde strafbaarheid van het handelen van de beklaagden.

Op grond van het vorenstaande dient het beklag te worden afgewezen.