weebly reliable statistics
Uitspraak Cyril en Daphne Farquharson - Moordzaken
Uitspraak Cyril en Daphne Farquharson

Uit Moordzaken

Ga naar: navigatie, zoeken

Uitspraak RECHTBANK HAARLEM Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/740793-08 Uitspraakdatum: 24 november 2009 Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 3 november 2009, 5 november 2009 en 10 november 2009 in de zaak tegen:

[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1945 te [geboorteplaats], thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting voor Vrouwen, huis van bewaring Nieuwersluis te Nieuwersluis.

1. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. zij op of omstreeks 05 september 2008 te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 1] (zijnde de echtgenoot van verdachte) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, (meermalen) (met kracht) met een bijl, althans een zwaar en/of scherp(kantig) voorwerp in/op/tegen het hoofd en/of het gezicht van die [slachtoffer 1] geslagen, in elk geval een of meer (levensontnemende) (gewelds)handelingen gepleegd ten aanzien van het hoofd en/of het gezicht van die [slachtoffer 1], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2. zij op of omstreeks 05 september 2008 te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 2] (zijnde de dochter van verdachte) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, (meermalen) (met kracht) met een bijl, althans een zwaar en/of scherp(kantig) voorwerp in/op/tegen het het hoofd en/of het gezicht van die [slachtoffer 2] geslagen, in elk geval een of meer (levensontnemende) (gewelds)handelingen gepleegd ten aanzien van het hoofd en/of het gezicht van die [slachtoffer 2], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden.

2. Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten en heeft gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van elf jaren.

4. Bewijs De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van het navolgende.

4.1 Redengevende feiten en omstandigheden (1)

Feitelijke gebeurtenissen Even voor vijf uur in de ochtend van vrijdag 5 september 2008 komt een melding (2) binnen bij alarmnummer 112 onder meer inhoudende dat meldster – van wie de stem later wordt herkend als die van verdachte (3) – een moord heeft gepleegd. Naar aanleiding van deze melding worden in de woning aan de Prins Clauslaan 7 te Badhoevedorp de stoffelijke overschotten van een oudere man en een jonge vrouw aangetroffen. (4) Raadpleging van de Gemeentelijke Basisadministratie levert de informatie op dat op het betreffende adres twee personen zijn ingeschreven, te weten verdachte en [slachtoffer 1], en dat uit het huwelijk van deze personen twee kinderen zijn geboren, onder wie [slachtoffer 2]. (5) De stoffelijke overschotten van de aangetroffen man en vrouw worden op zondag 7 september 2008 geïdentificeerd als [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. (6) Het sectierapport betreffende [slachtoffer 1] bevat als conclusie dat uitval van hersenfuncties, verwikkelingen daarvan en bloedverlies ten gevolge van hevig mechanisch geweld op het hoofd de oorzaak van het intreden van de dood was. (7) Het sectierapport betreffende [slachtoffer 2] bevat als conclusie dat uitval van hersenfuncties, verwikkelingen daarvan en bloedverlies ten gevolge van hevig botsend geweld op het hoofd de oorzaak van het intreden van de dood was. (8) In beide sectierapporten is vermeld dat dit hevig botsend of mechanisch geweld op de hoofden van de slachtoffers kan optreden bij het slaan met een zwaar voorwerp; de achterzijde en of andere kopse kanten van een bijl zouden hiervoor zonder meer in aanmerking kunnen komen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij in de vroege ochtenduren van 5 september 2008 eerst haar echtgenoot en daarna haar dochter meerdere malen krachtig met een bijl op het hoofd heeft geslagen. (9)

De rechtbank stelt op grond van het vorenstaande vast dat het verdachte is geweest die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gedood. De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden, is of verdachte het ‘opzet’ had dit te doen en zo ja, of sprake is van ‘voorbedachte raad’ (moord) of niet (doodslag).

Opzet De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, nu het bestanddeel ‘opzet’ niet bewezen kan worden. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte door haar psychische toestand ten tijde van het doden van haar echtgenoot en dochter – door de raadsman omschreven als waan, psychose of delier – haar wil niet ongestoord kon bepalen en van elk inzicht in de draagwijdte van haar handelen en de mogelijke gevolgen daarvan was verstoken.

Het is sinds 22 juli 1963 (NJ 1968, 217) vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat van opzet slechts dan geen sprake kan zijn, als het een persoon aan elk inzicht in de draagwijdte van het handelen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken. Dit is, anders dan de raadsman heeft betoogd, naar het oordeel van de rechtbank in casu niet het geval. Voor dit oordeel is het navolgende van belang.

Verdachte is uitvoerig onderzocht door diverse gedragsdeskundigen (waarop hierna onder paragraaf 6. ‘Strafbaarheid van verdachte’ nader zal worden ingegaan) en door geen van deze deskundigen is bij verdachte een waan, psychose, delier of een daarmee gelijk te stellen toestand ten tijde van het plegen van de geweldshandelingen aannemelijk geacht.

Verdachte was zich ook zeker niet volledig onbewust van hetgeen zij deed, integendeel: verdachte heeft tijdens het opsporingsonderzoek (10) en ter terechtzitting (11) consistent verklaard dat zij, toen zij in de nacht van 4 op 5 september 2008 het overweldigende gevoel kreeg dat zij niet meer verder wilde leven, meteen bedacht dat zij het haar echtgenoot en haar dochter niet kon aandoen zelfmoord te plegen en dat zij hen derhalve “moest meenemen”. Om die reden is verdachte in haar woning op zoek gegaan naar een middel waarmee zij hen kon ombrengen en heeft zij, toen zij in de garage een bijl had gevonden, haar gedachte, dat haar echtgenoot en dochter niet zonder haar zouden kunnen, omgezet in daden. Tekenend hierbij is hetgeen verdachte op 11 september 2008 onder meer verklaarde, namelijk: “Toen ik mijn man meerdere keren op zijn hoofd had geslagen dacht ik eigenlijk alleen: ‘ok, two more to go’. Daarmee bedoelde ik mijn dochter en ik.” (12)

Tenslotte bevestigt de omstandigheid dat verdachte op 5 september 2008 om 04.59 uur zelf de politie heeft verwittigd een moord te hebben gepleegd (“Uhh... ik heb een moord gepleegd.”) (13) dat zij inzicht had in de ernst van wat zij had gedaan en het verboden karakter daarvan.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de wil van verdachte juist gericht was op de dood van de slachtoffers, teneinde hen het leed over haar eigen dood te besparen, zodat de rechtbank opzet van verdachte op het doden van haar echtgenoot en dochter bewezen acht.

Voorbedachte raad De raadsman heeft bepleit dat verdachte, gelet op de psychische toestand waarin zij zich ten tijde van het doden van haar echtgenoot en dochter bevond, geheel ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht en dat deze toestand zich niet verhoudt met het aannemen van voorbedachte raad.

Anders dan de raadsman meent, sluit de eventuele omstandigheid dat de keuzevrijheid van een persoon ten tijde van het plegen van bepaalde feiten zodanig was aangetast dat dit handelen niet aan die persoon kan worden toegerekend, niet uit dat sprake is van voorbedachte raad (onder meer Hoge Raad 5 februari 2008, NJ 2008, 97). Met andere woorden: zelfs indien de rechtbank hierna bij de vraag over de strafbaarheid van verdachte tot het oordeel zou komen dat het feit in het geheel niet aan haar kan worden toegerekend, dan nog brengt dit niet automatisch met zich dat verdachte niet met voorbedachte raad heeft kunnen handelen.

Van voorbedachte raad - in de tenlastelegging omschreven als ‘na kalm beraad en rustig overleg’ - is volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (recent HR 30 juni 2009, LJN BI4070) sprake, indien een verdachte de tijd en de gelegenheid heeft gehad na te denken over en zich rekenschap te geven van de gevolgen van zijn voorgenomen handelen. Of de verdachte in kwestie die tijd en gelegenheid daadwerkelijk heeft benut om na te denken, is daarbij niet van belang.

Dat de geweldshandelingen van verdachte tegen haar echtgenoot en dochter niet voortkwamen uit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling die haar (vrijwel) onmiddellijk heeft gebracht tot haar daad, maar dat verdachte de tijd en de gelegenheid heeft gehad na te denken over en zich rekenschap te geven van de gevolgen van haar voorgenomen handelen, leidt de rechtbank af uit de volgende omstandigheden. Toen verdachte beneden in de woonkamer had besloten dat zij haar echtgenoot en dochter “moest meenemen”, is zij in haar woning op zoek gegaan naar een geschikt middel om hen mee te doden. Vervolgens is zij met een in de garage aangetroffen bijl de trap op gegaan naar de slaapkamer waar haar man in bed lag te slapen en heeft zij eerst in de naastgelegen badkamer het licht aangedaan. (14) Nadat zij haar echtgenoot door enige bijlslagen op het hoofd om het leven had gebracht, is verdachte weer naar beneden gegaan en heeft zij in het halletje voor de slaapkamer van haar dochter het licht aangedaan. (15) Ook de toen bij verdachte opgekomen gedachte (hiervoor reeds aangehaald) “ok, two more to go” wijst er op dat verdachte op dat moment volgens een eerder voorgenomen plan handelde. Vervolgens heeft verdachte ook haar dochter met bijlslagen om het leven gebracht.

Op basis van deze feitelijke handelingen die verdachte heeft ondernomen, nadat zij – zij het betrekkelijk kort daarvoor – het besluit had genomen haar echtgenoot en dochter te doden, komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte tijd en gelegenheid heeft gehad zich rekenschap te geven van de betekenis en gevolgen van haar daad. De rechtbank acht derhalve, anders dan de raadsman, de voorbedachte raad bewezen.

4.2 Bewezenverklaring Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

1. zij op 5 september 2008 te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1], zijnde de echtgenoot van verdachte, van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met kracht met een bijl op het hoofd van die [slachtoffer 1] geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2. zij op 5 september 2008 te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2], zijnde de dochter van verdachte, van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met kracht met een bijl op het hoofd van die [slachtoffer 2] geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van de feiten Het bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:

1. moord;

2. moord.

6. Strafbaarheid van verdachte De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte, in navolging van het rapport van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC), verminderd toerekeningsvatbaar maar wel strafbaar moet worden geacht. De raadsman heeft daarentegen ter terechtzitting bepleit dat verdachte, in navolging van de in opdracht van de verdediging uitgevoerde contra-expertise en gelet op de veronderstelde effecten van haar medicatie, volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht en daarom dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Bij de beoordeling van de strafbaarheid van verdachte dient de rechtbank te betrekken zowel de feitelijke situatie, zoals uiteengezet door verdachte, als de – gedeeltelijk hiermee samenhangende – uitgebrachte deskundigenrapporten. Hieronder zal de rechtbank de in dit kader relevante passages uit deze verklaring en rapporten weergeven en vervolgens haar oordeel uiteenzetten.

Psychische toestand en medicatiegebruik Verdachte heeft ter terechtzitting onder meer het volgende verklaard. Sinds 1996 is zij bekend met depressieve episodes, waarvoor zij telkens medicamenteus werd behandeld, sinds 2003 met het antidepressivum paroxetine. Daarnaast werd haar het rustgevend middel oxazepam voorgeschreven om de negatieve (aanjagende) effecten van de paroxetine tegen te gaan. Sinds juni 2008 verkeerde verdachte wederom in een zeer ernstige depressieve toestand, waarvoor zij op 6 augustus 2008 door de plaatsvervangend huisarts paroxetine kreeg voorgeschreven in de dosering één keer daags één tablet van twintig milligram. Verdachte heeft dit recept echter, volgens eigen zeggen, nooit verzilverd; dit komt overeen met de zich in het dossier bevindende informatie van de apotheek, inhoudende dat verdachte tussen 17 december 2007 en 3 september 2008 geen medicatie heeft opgehaald, en met het feit dat bij doorzoeking van de woning van verdachte het betreffende recept is aangetroffen.

De reden voor het niet opvolgen van de voorschriften van deze vervangend huisarts was gelegen in het feit dat tijdens het consult, naast de mogelijkheid van medicamenteuze behandeling, ook de mogelijkheid van psychologische hulp was besproken en haar dochter [slachtoffer 2] graag wilde dat verdachte dit soort hulp zou aanvaarden. Verdachte had haar beloofd dit te zullen doen, maar wilde het eerst nog met haar eigen huisarts bespreken; om die reden heeft zij tot het consult van haar eigen huisarts op 3 september 2008 geen antidepressiva geslikt. Tijdens dit laatste consult is de mogelijkheid van “praathulp” volgens verdachte – in tegenstelling tot hetgeen haar huisarts hierover op 16 juni 2009 ten overstaan van de rechter-commissaris heeft verklaard – echter niet besproken en is, aangezien in de tussentijd geen verbetering was opgetreden in de depressieve klachten, de dosering paroxetine opgehoogd tot één maal daags twee tabletten, resulterend in veertig milligram per dag. Het ditmaal uitgeschreven recept heeft verdachte wel verzilverd bij haar apotheek en bij thuiskomst is zij meteen gestart met het slikken van de medicatie. Echter, verdachte heeft verklaard dat zij toen niet is begonnen met de voorgeschreven dosering van veertig milligram, maar dat zij drie pillen van twintig milligram (die zij nog in voorraad had) heeft geslikt, omdat zij zich erg beroerd voelde en dacht dat één pil meer dan voorgeschreven geen kwaad zou kunnen. Daarnaast heeft verdachte die dag de voorgeschreven hoeveelheid van twee tabletten oxazepam ingenomen. Omdat verdachte zich op 3 september 2008 na inname van de medicatie nog beroerder had gevoeld dan daarvoor, nam zij op 4 september 2008 veertig milligram paroxetine en geen oxazepam.

Toen verdachte [slachtoffer 2] op 5 september 2008 even na middernacht ophaalde van het station te Schiphol, vroeg [slachtoffer 2] direct in de auto wat verdachte met haar huisarts had besproken over psychologische hulp. Verdachte moest toen bekennen dat zij haar belofte niet was nagekomen en toch weer voor medicijnen in plaats van “praathulp” had gekozen. Het feit dat verdachte haar belofte niet was nagekomen, hetgeen naar eigen zeggen zeer ongebruikelijk was, leidde ertoe dat [slachtoffer 2] heel boos op haar werd. Vervolgens werd [slachtoffer 2] ook kwaad op haar vader, omdat [slachtoffer 2] hem had laten beloven met verdachte mee te zullen gaan naar de huisarts om zeker te zijn dat over psychologische hulp zou worden gesproken, maar ook hij was zijn belofte niet nagekomen en was niet met verdachte meegegaan. Door dit conflict bestond een ongebruikelijk slechte sfeer in huis, waardoor verdachte - nadat haar echtgenoot en vervolgens ook haar dochter naar bed waren gegaan - aangeslagen en verdrietig was. Toen zij vervolgens in de huiskamer op de bank ging zitten, overviel haar het overweldigende gevoel dat zij niet meer verder wilde leven, maar bedacht zij zich tegelijkertijd dat zij haar echtgenoot en haar dochter het verdriet van haar zelfmoord niet aan kon doen en hen “mee moest nemen”.

Verdachte heeft vervolgens de hiervoor bewezen verklaarde feiten begaan en daarna getracht zelfmoord te plegen door met haar auto tegen een boom te rijden. Zij is daarbij gewond geraakt en naar het ziekenhuis gebracht. Aldaar is op 5 september 2008 om 9.05 uur bloed van haar afgenomen en dit bloed is door het NFI onderzocht.

NFI In het rapport van het NFI van 22 april 2009 betreffende het toxicologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk geweldsdelict is geconcludeerd dat in het van verdachte afgenomen bloed wel aanwijzingen zijn gevonden voor aanwezigheid van paroxetine en oxazepam, maar in dusdanig lage concentraties dat deze stoffen het bewustzijn of gedrag van verdachte ten tijde van de bloedafname niet hebben beïnvloed.

PBC In opdracht van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, rapporteren T.A. Wouters, psychiater en vast gerechtelijk deskundige, en J.M. Oudejans, psycholoog en vast gerechtelijk deskundige bij het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie PBC, op 19 juni 2009 onder meer als volgt. Hoewel bij verdachte geen sprake is van een persoonlijkheidsstoornis in engere zin, hebben haar jeugdervaringen zeker sporen nagelaten in haar persoonlijkheid, in die zin dat zij als vanzelf een steunende, structurerende, coördinerende en verzorgende rol op zich neemt voor mensen in haar omgeving; het onderling samenzijn, het vertrouwen in de onderlinge loyaliteit is - ook door hetgeen verdachte in de loop van haar leven heeft meegemaakt - een cruciale rol gaan spelen. Deze persoonlijkheidstrekken en haar recidiverende depressieve toestand, waarin zij sinds juni 2008 wederom verkeerde, en het daarmee gegeven gebrekkige vermogen om gevoelens, suïcidale impulsen en irrationele gedachten te relativeren en te corrigeren, hebben in aanzienlijke mate doorgewerkt in de totstandkoming van het ten laste gelegde. Verdachte lijkt in een sterk gedepersonaliseerde toestand te hebben verkeerd, wellicht in het kader van een sterke bewustheidsvernauwing. Er bestaan geen aanwijzingen dat verdachte door de start met een te hoge dosering van de paroxetine gedurende één (of maximaal twee) dag(en) voorafgaand aan 5 september 2008 dusdanig aangejaagd is geweest dat de ten laste gelegde feiten hierdoor zonder meer te verklaren zouden zijn. Ook zijn er, gelet op de feitelijke handelingen die verdachte in de nacht van 5 september 2008 nog heeft kunnen verrichten (onder andere een discussie voeren met de latere slachtoffers, auto rijden en brieven schrijven), zeker geen aanwijzingen dat verdachte door haar medicijngebruik in een psychose terechtgekomen zou zijn. Niet uitgesloten kan worden dat de effecten van de medicatie drempelverlagend hebben gewerkt, maar paradoxale reacties op het starten hiermee, die verklarend zouden kunnen worden gesteld voor de gepleegde feiten, kunnen niet als zodanig worden teruggevonden in het relaas van verdachte of in het strafdossier. Uiteindelijk komen Wouters en Oudejans tot de conclusie dat verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten lijdende was aan een zodanig gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis harer geestvermogens dat deze haar in verminderde mate kunnen worden toegerekend, waarbij niet uitgesloten is, maar ook niet voldoende onderzocht kon worden, dat haar wilsvrijheid om voor gezondere gedragsalternatieven te kunnen kiezen nog beperkter is geweest.

Na ontvangst van het hiervoor vermelde NFI-rapport schrijft Wouters in een aanvullende brief van 23 juli 2009 dat op basis van de bevindingen van het NFI gedragskundig moet worden geconcludeerd dat geen concrete aanwijzingen zijn gevonden voor een acute (ernstige) overdosering voorafgaand aan de ten laste gelegde feiten. Het feit dat verdachte tijdens eerdere depressies nooit enige bijwerking heeft ondervonden op medicatieopbouw of dosisverhoging, noch op acuut staken ervan, moet klinisch relevant worden geacht voor de inschatting van het ontstaan van bijwerkingen bij te snelle opdosering. Op basis van de beschikbare informatie kan slechts worden geconcludeerd dat voor een dergelijke uitzonderlijke reactie binnen de medische voorgeschiedenis van verdachte geen concrete, toetsbare aanwijzingen worden gevonden die bij het advies omtrent de toerekeningsvatbaarheid voor het ten laste gelegde kunnen worden meegewogen. Alles overziend lijken zowel persoonlijkheidsfactoren, samenhangend met de levensloop en voorgeschiedenis van verdachte, mogelijke contextuele spanningen in het gezin, stemmingsfactoren met een vermoedelijk suïcidale intentie en wellicht ook mogelijke psychofarmacologische effecten, een rol te hebben gespeeld bij de totstandkoming van de ten laste gelegde feiten.

Hoewel op basis van het PBC-onderzoek niet kan worden onderbouwd welk element in welke mate waarvoor exact verantwoordelijk is geweest, kan wel worden beargumenteerd dat deze factoren in hun onderlinge samenhang hebben geleid tot ten minste een zekere mate van (als pathologisch te duiden) vermindering van het vermogen van verdachte om voor gezondere gedragsalternatieven te kunnen kiezen. Een verdergaand verband tussen de vastgestelde pathologie en de ten laste gelegde feiten kan volgens de deskundigen van het PBC noch worden onderbouwd, noch volledig worden uitgesloten, enerzijds bij gebrek aan gedetailleerde, voldoende objectiveerbare informatie omtrent de precieze toedracht van het ten laste gelegde, anderzijds vanwege het feit dat de concrete samenhang tussen de persoonlijkheid(sproblematiek), eventuele stressfactoren en al dan niet pathologische reacties daarop – daarbij inbegrepen de eventueel ontregelende effecten van medicatiegebruik – in retrospectief onvoldoende onderscheiden en onderzocht kunnen worden.

Ter terechtzitting hebben Wouters en Oudejans verklaard dat het medicatiegebruik zo kort voorafgaand aan het ten laste gelegde verdachte misschien wel heeft aangejaagd, maar dat zij door deze middelen niet van alle denkvermogen verstoken is geweest aangezien zij dan niet meer tot gestructureerd gedrag had kunnen komen. Zij sluiten uit dat verdachte ten tijde van haar daad geheel of slechts enigszins verminderd toerekeningsvatbaar was en hoewel de gradaties van sterk verminderd toerekenbaar of geheel ontoerekenbaar niet uitgesloten kunnen worden, kunnen deze gradaties niet onderbouwd worden.

Contra-expertise In opdracht van de verdediging rapporteren C.J. van Gestel, psychiater, en E. Stam, GZ-psycholoog, op 6 oktober 2009 evenals de PBC-rapporteurs dat een persoonlijkheidsstoornis bij verdachte niet geclassificeerd kan worden, maar dat haar recidiverende depressieve stoornis met angst gezien kan worden als de resultante van een biologische kwetsbaarheid, een verminderde psychologische veerkracht en een opeenstapeling van stressfactoren. Daarbij wordt het aannemelijk geacht dat verdachte ook ten tijde van het ten laste gelegde aangewezen was op primitieve afweer- en copingstrategieën, omdat de depressieve stoornis een ernstige beperking van haar draagkracht veroorzaakte. Verdachte was niet meer in staat te komen tot adaptief gedrag uit haar al langer enigszins beperkte scala van afweer- en copingstrategieën. Het ligt in de aard van een depressieve stoornis dat verdachte geen uitweg zag. De acute suïcidaliteit van dat moment kan verondersteld worden direct te zijn voortgevloeid uit de depressieve stoornis, maar niet zonder het katalyserend effect van de ruzie met haar dochter over de gekozen behandelingsvorm en van de door verdachte (onjuist) ingezette farmacotherapie. Volgens Van Gestel en Stam bestaat een direct en bijna volledig causaal verband tussen de farmacotherapie en het ten laste gelegde en een beperkt direct causaal verband tussen de depressieve stoornis en het ten laste gelegde, hetgeen impliceert dat verdachte in de bewuste nacht niet over haar vrije wil kon beschikken. Geadviseerd wordt dan ook verdachte ten minste sterk verminderd toerekeningsvatbaar, maar mogelijk zelfs volledig ontoerekeningsvatbaar te achten.

Ter terechtzitting hebben Van Gestel en Stam aangegeven, dat in hun visie de depressieve toestand van verdachte op zichzelf al tot een verminderde toerekeningsvatbaarheid zou kunnen leiden door de aanwezigheid van een vernauwd bewustzijn en verkokerd denkpatroon, maar dat verdachte daarenboven door het (verkeerd) ingezette medicijngebruik maximaal slechts een heel klein stukje van haar wil tot haar beschikking had. Hoewel ook volgens deze deskundigen niet met zekerheid aangetoond kan worden welke omstandigheid precies het gedrag van verdachte heeft veroorzaakt, dichten Van Gestel en Stam een groter gewicht toe aan het aanjagend effect van de hoge dosis paroxetine zonder gebruik van het rustgevende middel oxazepam dan de deskundigen van het PBC.

Medicatie In opdracht van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, is over de werking van paroxetine op 24 september 2009 gerapporteerd door J.G. Ramaekers, psycholoog en hoogleraar gedragstoxicologie aan de universiteit van Maastricht, tezamen met W. Best, apotheker en toxicoloog bij The Maastricht Forensic Institute en op 1 mei 2009 en 5 oktober 2009 door A.J.M. Loonen, arts en klinisch farmacoloog, tevens hoogleraar farmacotherapie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Deze drie deskundigen zijn het erover eens dat de lage concentraties paroxetine en oxazepam, die in het op 5 september 2008 afgenomen bloed van verdachte zijn aangetroffen, passen bij een eenmalige inname of het begin van een opbouwfase. Het antwoord op de vraag of verdachte op 3 september 2008 twee of drie tabletten paroxetine heeft geslikt, wordt door deze deskundigen niet relevant geacht, aangezien de concentratie van de medicatie voor de relatie met de daad van verdachte niet zo belangrijk is nu geen drempelwaarde is aan te geven waarboven agressief gedrag wordt vertoond. Zelfs bij lage concentraties zoals die bestaan tijdens de opbouwfase van het gebruik van SSRI’s (Selective Serotonin Reuptake Inhibitors), waaronder paroxetine, zijn (incidentele) gevallen bekend waarin kortstondig gebruik gevolgd werd door geweld en zelfmoord tijdens de eerste week van de behandelingsperiode. Ook kunnen volgens deze deskundigen geen conclusies worden verbonden aan de verklaring van verdachte dat zij op 4 september 2008 geen oxazepam heeft geslikt; de gevallen van zelfmoord tijdens middelengebruik die in de literatuur zijn beschreven betreffen namelijk vooral het gebruik van SSRI’s en niet van oxazepam en oxazepam kan in plaats van rustgevend ook ontremmend werken en daardoor mogelijk het optreden van averechtse effecten versterken.

Volgens Ramaekers en Best is het onmogelijk in casu de relatie tussen het paroxetinegebruik en het gedrag van verdachte aan te tonen, nu slechts één bloedafname heeft plaatsgevonden. Bovendien rapporteren zij dat gelet op het feit dat verdachte tijdens eerdere depressieve episodes ook met paroxetine werd behandeld zonder dat dit tot gedragsproblemen leidde, een relatie tussen het kortdurend gebruik van paroxetine en het plotseling optreden van agressief gedrag, leidend tot moord, in dit geval niet waarschijnlijk lijkt. Ook kan naar het oordeel van Ramaekers en Best niet expliciet gesteld worden dat de subarachnoïdale bloeding die verdachte in 2007 heeft gehad van invloed is geweest op de effecten van het medicijngebruik, nu door C. Jonker, gedragsneuroloog, op 6 juli 2009 is gerapporteerd dat bij neurologisch onderzoek van verdachte geen aanwijzingen zijn gevonden voor hersenorganisch lijden en, zo er al hersenschade mocht bestaan, in zijn algemeenheid niet gezegd kan worden dat dit de effecten van paroxetine beïnvloedt. Alles overziend is het in de visie van Ramaekers en Best onmogelijk met zekerheid vast te stellen of de daad van verdachte gerelateerd is aan haar depressie, de medicamenteuze behandeling of juist de combinatie hiervan.

Loonen stelt zich in zijn rapporten op het standpunt dat er wel degelijk een als ‘waarschijnlijk’ te kwalificeren causaal verband bestaat tussen het gebruik van paroxetine en de daad van verdachte. In de visie van Loonen is het feit dat een – zij het lage – concentratie van paroxetine in het op 5 september 2008 van verdachte afgenomen bloed is aangetoond hiervoor reeds voldoende, aangezien toxische effecten in de zin van farmacologisch ongewenste effecten reeds kunnen optreden bij dit soort lage concentraties. Hij geeft daarbij aan dat de plotselinge start met een hoge dosering een belangrijke rol kan hebben gespeeld, evenals de als subarachnoïdaal omschreven bloeding die verdachte in 2007 heeft gehad aangezien dit laatste de gevoeligheid voor psychotoxische effecten kan vergroten. Hoewel door Jonker, zoals hierboven aangegeven, geen aanwijzingen zijn gevonden voor hersenorganisch lijden, is er in de visie van Loonen zeker een indicatie dat bij verdachte sprake is van een organische kwetsbaarheid. Hiervoor wijst Loonen op het feit dat verdachte na september 2008 nog lange tijd een hoge dosis paroxetine heeft moeten slikken om de behandeling van haar depressie te laten slagen en op het feit dat verdachte in februari 2009 een bijzondere reactie vertoonde na de verhoging van die dosering, namelijk plotseling geheugenverlies en extreme angst.

Oordeel van de rechtbank Vele omstandigheden lijken een rol te hebben gespeeld op het moment dat verdachte in de nacht van 5 september 2008 besloot haar echtgenoot en dochter om te brengen teneinde hen het verdriet over haar eigen gewenste dood te besparen en - zoals de gedragskundige rapporteurs ook hebben aangegeven - niet met zekerheid kan worden gezegd welke omstandigheid die bewuste nacht doorslaggevend is geweest. De rechtbank neemt het oordeel van de gedragsdeskundigen over dat bij verdachte sprake was van reeds bestaande persoonlijkheidsproblematiek en een ernstig depressieve toestand, die tezamen hebben geleid tot een zekere bewustheidsvernauwing en verkokering in het denken en voorts dat het ongebruikelijke conflict, dat zich die nacht in het gezin voordeed, van groot belang is geweest, nu verdachte voor het eerst expliciet niet meer op de steun van haar dochter kon rekenen. Ook het medicatiegebruik van verdachte lijkt een zekere rol te hebben gespeeld, want hoewel Wouters en Oudejans niet een zo vergaande conclusie aan het gebruik van paroxetine willen verbinden als Van Gestel en Stam, kunnen zij niet uitsluiten dat dit middel mogelijk drempelverlagend heeft gewerkt.

De rechtbank volgt niet de visie van Loonen, inhoudende dat monocausaal verband tussen de medicatie en de bewezenverklaarde feiten ‘waarschijnlijk’ is. Loonen komt namelijk tot zijn conclusie, gebruikmakend van een redeneerschema en uitgaande van een lijst met een aantal agressiegevallen na gebruik van SSRI’s, terwijl een causaal verband tussen het gebruik van deze medicatie en de agressie ook in die gevallen nooit is vastgesteld. De “globale professionele inschatting” van Loonen heeft de rechtbank evenmin overtuigd. De rol die de medicatie in het geheel heeft gespeeld, moet - mede gelet op de visie van de gedragsdeskundigen - naar het oordeel van de rechtbank niet monocausaal worden gezien, maar uitdrukkelijk in combinatie met de andere factoren. De rechtbank stelt daarbij vast dat de vraag in welke mate welke factor van invloed is geweest niet te beantwoorden is.

In het vooronderzoek en tijdens het onderzoek ter terechtzitting is uitvoerig aandacht besteed aan de door verdachte ingenomen medicatie, het moment waarop en in welke dosering zij begonnen is met het slikken van paroxetine, de vraag of verdachte debet is aan het starten van de medicatie in een ongebruikelijk hoge dosis en de invloed van een en ander op het gedrag van verdachte. Gelet op de door Ramaekers, Best en Loonen uitgebrachte rapporten en hun verklaringen ter terechtzitting acht de rechtbank het niet aannemelijk dat het antwoord op de vraag of verdachte op 3 september 2008 zestig of veertig milligram paroxetine heeft genomen van doorslaggevende betekenis is voor haar gedrag in de nacht van 5 september 2008. Ditzelfde geldt voor het niet informeren van de huisarts over het niet gestart zijn met de door de vervanger voorgeschreven medicatie. Voor het aannemen van enige vorm van eigen schuld van verdachte, doordat zij één tablet meer heeft ingenomen dan was voorgeschreven en/of doordat door haar toedoen een (te) hoge startdosis is voorgeschreven, ziet de rechtbank dan ook geen grond.

De gedragsdeskundigen zijn het er over eens, dat verdachte niet als geheel toerekeningsvatbaar of enigszins verminderd toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd, maar zij verschillen vervolgens van mening over de van toepassing zijnde gradatie van de verminderde toerekeningsvatbaarheid. Wouters en Oudejans vinden, dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht, terwijl Van Gestel en Stam menen dat verdachte ten minste sterk verminderd, maar wellicht zelfs geheel ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht. Voor deze laatste, meest vergaande, gradatie is - naar het oordeel van de rechtbank - door Van Gestel en Stam, ook na ondervraging ter zitting, geen overtuigende onderbouwing gegeven, zodat de rechtbank deze visie niet overneemt. De rechtbank zal echter geen keuze maken uit de gradaties ‘verminderd’ of ‘sterk verminderd’ toerekeningsvatbaar aangezien deze bandbreedte reeds voldoende aangeeft dat de feiten niet volledig aan verdachte kunnen worden toegerekend en in elk geval, gelet op het voorgaande, geen omstandigheid aannemelijk geworden is, die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit.

Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sanctie Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van de onder paragraaf 6. van dit vonnis weergegeven deskundigenrapporten. In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de moord op haar dochter [slachtoffer 2] en haar echtgenoot [slachtoffer 1]. In de nacht van 4 op 5 september 2008 is de gedachte bij verdachte opgekomen om een einde aan haar leven te maken, welke gedachte ook leidde tot een concreet plan. Zij meende het haar dochter en man niet te kunnen aandoen om, na de dood van hun broer/zoon, ook met het verlies van hun moeder/echtgenote verder te moeten leven. Daar kwam nog bij dat beiden, volgens verdachte, in hun normale dagelijks leven sterk afhankelijk van haar waren. Teneinde te voorkomen dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zonder haar verder zouden moeten leven, heeft verdachte besloten hen ‘mee te nemen’. Vervolgens heeft verdachte beide slachtoffers met een bijl in de slaap meermalen op het hoofd geslagen, waardoor zij zijn overleden.

Door aldus te handelen heeft verdachte het leven ontnomen aan haar dochter en haar echtgenoot. Verdachte heeft beslist dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] niet verder konden leven met het verdriet van het verlies van echtgenote en moeder en zij heeft eigenmachtig beschikt over hun leven. Verdachte heeft hiermee groot en onherstelbaar leed toegebracht aan familie en vrienden van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en een ernstige schok in de samenleving teweeggebracht. Daarbij speelt ook een rol de omstandigheid dat de slachtoffers zijn gedood in hun eigen huis door de persoon bij wie zij zich beiden het meest veilig waanden.

De rechtbank sluit de ogen niet voor het feit dat verdachte ook zichzelf onnoemelijke leed heeft aangedaan. Zij zal de rest van haar leven verder moeten met de wetenschap, dat zij deze gruwelijke en onomkeerbare daden heeft gepleegd. De rechtbank houdt daarnaast bij de bepaling van de aan verdachte op te leggen straf rekening met hetgeen hiervoor onder paragraaf 6. is overwogen met betrekking tot de mate waarin de feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend.

De rechtbank is het eens met de officier van justitie dat voor misdrijven als de onderhavige slechts het opleggen van een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur passend is. De rechtbank is - al hetgeen hiervoor is overwogen in aanmerking nemende - echter van oordeel dat een kortere vrijheidsbenemende straf dan door de officier van justitie is geëist, dient te worden opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften Van toepassing zijn de artikelen 57 en 289 Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten telkens het strafbare feit ‘moord’ opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens deze feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

10. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. H.M. van Dam, voorzitter, mr. drs. J.W.H.G. Loyson en mr. S.M. Bordewijk, rechters, in tegenwoordigheid van de griffiers mr. P. de Mos en mr. A.P. de Klerk, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 november 2009.