weebly reliable statistics
Uitspraak Damaris en Daniël Rongen - Moordzaken
Uitspraak Damaris en Daniël Rongen

Uit Moordzaken

Ga naar: navigatie, zoeken

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-005048-08 Uitspraak d.d.: 17 februari 2010 TEGENSPRAAK


Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Groningen van 16 februari 2006 in de strafzaak tegen

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1958, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande, thans verblijvende in [detentieplaats].


Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Procesgang

In eerste aanleg is verdachte bij vonnis van 16 februari 2006 door de rechtbank te Groningen ter zake van het onder 1 primair (moord), 2 primair (moord) en 3 primair (poging tot moord) tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, met aftrek van voorarrest. Daarbij heeft de rechtbank te Groningen gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevolen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toegewezen tot een bedrag van € 18.219,20 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het gerechtshof te Leeuwarden heeft in hoger beroep bij arrest van 16 april 2007 – met vernietiging van bovengenoemd vonnis – de verdachte ter zake van het onder 1 primair (doodslag), 2 primair (doodslag) en 3 primair (poging tot doodslag) tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof te Leeuwarden de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toegewezen tot een bedrag van € 18.219,20 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 9 december 2008 voormeld arrest vernietigd en de zaak naar dit hof verwezen, teneinde de zaak op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is – na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad – gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 februari 2010 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr P.M. Rombouts, naar voren is gebracht.


Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.


De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:


1.

hij op of omstreeks 1 augustus 2005 te Tolbert, gemeente Leek, opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet - meermalen, met (een of meerdere delen van) een kandelaar/kaarsenhouder en/of met een mes en/of buis/staafvormig voorwerp, althans met een of meerdere hard(e) en/of puntig(e) en/of scherp(e) voorwerp(en), geslagen en/of gestoken en/of gesneden op/in het hoofd en/of lichaam van [slachtoffer 1] en/of - (met kracht) de hals van [slachtoffer 1] samengedrukt en/of doorgesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat hij op of omstreeks 1 augustus 2005 te Tolbert, gemeente Leek, aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk (en met voorbedachte rade) zwaar lichamelijk letsel, te weten (onder meer) - klieving(en) van de huid van het hoofd en/of hals en/of - perforatie van de borstwand en/of lever en/of - breuk van en/of deuk in het schedeldak en/of - kneuzing van hersenweefsel en/of hersenvliezen en/of - doorklieving van de halsader en/of halsslagader en/of halsspieren en/of - doorklieving van het schildkraakbeen van het strottenhoofd en/of - doorklieving van de slokdarm en/of - doorsteken door de borst en/of buik en/of - een steekwond in de nier en/of - weefselschade en/of - ernstig bloedverlies, heeft toegebracht, door opzettelijk - meermalen, met (een of meerdere delen van) een kandelaar/kaarsenhouder en/of met een mes en/of buis/staafvormig voorwerp, althans met een of meerdere hard(e) en/of puntig(e) en/of scherp(e) voorwerp(en), te slaan en/of steken en/of snijden op/in het hoofd en/of de hals en/of het lichaam van [slachtoffer 1] en/of - (met kracht) de hals van [slachtoffer 1] samen te drukken en/of door te snijden, terwijl het feit de dood van [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;


2.

hij op of omstreeks 1 augustus 2005 te Tolbert, gemeente Leek, opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet: - meermalen, met (een of meerdere delen van) een kandelaar/kaarsenhouder en/of met een mes, althans met een of meerdere hard(e) en/of puntig(e) en/of scherp(e) voorwerp(en), geslagen en/of gestoken en/of gesneden op/in het hoofd en/of lichaam van [slachtoffer 2] en/of - (met kracht) de hals van [slachtoffer 2] samengedrukt en/of (met kracht) op de hals van [slachtoffer 2] geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 1 augustus 2005 te Tolbert, gemeente Leek, aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk (en met voorbedachte rade) zwaar lichamelijk letsel, te weten (onder meer) - klieving(en) van de huid van het hoofd en/of hals en/of - klieving(en) en/of verbrijzeling van het schedelbot van het hoofd en/of - hersenschade en/of - verscheuring van de slokdarm en/of - ernstig bloedverlies, heeft toegebracht, door opzettelijk - meermalen, met (een of meerdere delen van) een kandelaar/kaarsenhouder en/of met een mes, althans met een of meerdere hard(e) en/of puntig(e) en/of scherp(e) voorwerp(en), te slaan en/of steken en/of snijden op/in het hoofd en/of de hals en/of het lichaam van [slachtoffer 2] en/of - (met kracht) de hals van [slachtoffer 2] samen te drukken en/of (met kracht) op de hals van [slachtoffer 2] te slaan, terwijl het feit de dood van [slachtoffer 2] tengevolge heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 1 augustus 2005 te Tolbert, gemeente Leek, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), - zijn kunstgebit in de mond en/of keel van [slachtoffer 3] heeft geduwd en/of verder geduwd en/of - het hoofd en/of de nek van [slachtoffer 3] heeft vastgepakt en/of (om)gedraaid en/of - (meermalen) heeft gestompt en/of geslagen tegen het lichaam van [slachtoffer 3] en/of - met een stang heeft geslagen op het hoofd en/of schouder(s) en/of rug en/of pols van [slachtoffer 3], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 1 augustus 2005 te Tolbert, gemeente Leek, aan een persoon genaamd [slachtoffer 3], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (twee hoofdwonden en/of een gebroken pols), heeft toegebracht, door opzettelijk - met zijn tong zijn kunstgebit in haar mond en/of keel te duwen en/of verder te duwen en/of - haar (meermalen) te stompen en/of slaan en/of - haar met een stang op het hoofd en/of schouder(s) en/of rug en/of pols te slaan.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Rapporten en verklaringen van deskundigen

In de onderhavige zaak is tweemaal gerapporteerd door drs. A.G.S. de Ranitz, psychiater en vast gerechtelijk deskundige, en drs. J.M. Oudejans, psycholoog en vast gerechtelijk deskundige, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum (PBC). Het eerste rapport van De Ranitz en Oudejans dateert van 13 januari 2006 en het tweede rapport van 30 december 2009. Beide rapporteurs zijn zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als ter terechtzitting in hoger beroep als deskundigen gehoord.

Voorts hebben op verzoek van de verdediging prof. dr. A.M. Korebrits, forensisch psychiater, en prof. dr. C. de Ruiter, psycholoog, in het kader van een contra-expertise over verdachte gerapporteerd. Deze rapporten dateren van respectievelijk 5 maart 2007 en 23 maart 2007. Beide rapporteurs zijn als deskundigen gehoord ter terechtzitting van het eerder behandelende hof, te weten het hof te Leeuwarden.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep stilgestaan bij de vraag of het hof de rapportages van De Ruiter en Korebrits in zijn oordeelsvorming mag betrekken. Deze rapportages zijn namelijk tot stand gekomen na een opdracht van het hof te Leeuwarden, terwijl het verhandelde van dat hof geheel buiten beschouwing dient te blijven op grond van de vernietiging door de Hoge Raad. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de tijdens de behandeling van het hoger beroep bij het hof te Leeuwarden verrichte proceshandelingen elke geldigheid en bruikbaarheid, zelfs de existentie, moeten worden ontzegd.

Het hof heeft reeds ter zitting beslist dat deze rapportages weliswaar tot stand zijn gekomen op basis van vernietigde beslissingen, maar dat ze niettemin van het procesdossier deel zijn gaan uitmaken en dat zij mede tot grondslag kunnen dienen voor de door het hof te nemen beslissingen. Het hof heeft daarbij te kennen gegeven dat de regels van het Wetboek van Strafvordering zich daartegen niet verzetten en dat zulk handelen goed past bij de Nederlandse praktische stijl van procederen in strafzaken. De advocaat-generaal heeft zijn standpunt bij requisitoir herhaald en nader geadstrueerd. Het nadere betoog van de advocaat-generaal heeft het hof niet tot een ander inzicht gebracht. Het hof is nog steeds van oordeel, en niet louter op praktische gronden, dat het de hier bedoelde rapportages in zijn oordeelsvorming mag betrekken. De beslissende vraag daarbij is of stukken die tijdens de eerdere appelbehandeling aan het dossier zijn toegevoegd, deel zijn gaan uitmaken en deel blijven uitmaken van de stukken van het geding. Het hof oordeelt dat zulks in het algemeen wel degelijk het geval is. Het stelsel van strafvordering dwingt er niet toe aan te nemen dat na vernietiging en verwijzing door de Hoge Raad het hof waarnaar verwezen is het verhandelde ter zitting van het eerder behandelende hof geheel buiten beschouwing laat. Het hof acht zich vrij bepaalde onderdelen van het in die procesfase verhandelde, en resultaten daarvan, op zijn zitting aan de orde te stellen en, voorzover daardoor de verwijzingsbeslissing van de Hoge Raad niet in het gedrang zou komen, in zijn eindoordeel te betrekken. Daarbij verwijst het hof naar het arrest van de Hoge Raad van 4 februari 1997, NJ 1997, 308, en in het bijzonder naar de conclusie van de advocaat-generaal in die zaak.

Het hof zal dus ook acht slaan op de bedoelde contra-expertiserapporten.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Vaststelling van de feiten

Bij de beoordeling van de zaak en de bespreking van de verweren gaat het hof uit van de volgende feiten.

Op 1 augustus 2005 waren verdachte, aangeefster [slachtoffer 3] en haar kinderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de woning van verdachte. Aangeefster zag dat verdachte met een hoeveelheid speed de badkamer in ging en dat hij na ongeveer tien minuten terug kwam. Verdachte zei tegen aangeefster dat hij wist dat ze met een ander in haar gedachten had gezeten, dat hij één met haar wilde worden en dat zij in hem moest komen. Verdachte omhelsde aangeefster daarbij zo stevig, dat ze hun balans verloren en samen op de grond vielen. Verdachte lag toen bovenop aangeefster. Aangeefster voelde dat zij klem zat. Verdachte had totale controle over haar gezicht en aangeefster kon maar net ademhalen. Verdachte duwde vervolgens zijn kunstgebit in de mond van aangeefster. Aangeefster merkte dat verdachte het kunstgebit met zijn tong steeds verder in haar mond duwde. Op een gegeven moment stopte verdachte met duwen. Verdachte is van aangeefster afgegaan en is op de grond gaan liggen, waarbij hij haar stevig vasthield aan haar arm. Verdachte heeft aangeefster daarna losgelaten en verdachte is gaan bidden. Vervolgens pakte hij aangeefster weer beet. Hij legde haar in zijn schoot neer. Hij legde zijn hand in haar nek. Verdachte werd steeds kwader. Hij begon harder te praten en te schelden. Verdachte zei: “Je liegt en je houdt niet van mij” en “Zie je wel, je bent de duivel”. Aangeefster voelde dat verdachte haar nek wilde omdraaien. Dat lukte niet, omdat aangeefster haar hoofd meedraaide. Verdachte heeft aangeefster daarna meerdere malen gestompt. Vervolgens pakte verdachte een ijzeren stang, waarmee hij aangeefster meerdere malen hard op haar hoofd sloeg. Tevens raakte verdachte haar op haar schouders en rug. Verdachte hield aangeefster daarbij vast. Toen aangeefster merkte dat verdachte haar niet meer vasthield, is zij naar het balkon gerend, over de balustrade geklommen en naar beneden gesprongen.

Vanaf het moment dat aangeefster van het balkon sprong, waren de beide kinderen van aangeefster alleen met verdachte in de woning. Zij waren toen nog ongedeerd. Ongeveer een kwartier later trof de op verzoek van aangeefster gealarmeerde politie verdachte in zijn woning aan. Verdachte lag achter de badkamerdeur, bovenop [slachtoffer 2]. [Slachtoffer 2] lag op zijn rug, met zijn voeten tegen de onderzijde van de badkamerdeur. Zijn gezicht zat onder het bloed. Rondom [slachtoffer 2] werden delen van een koperen kandelaar gevonden. Deze delen waren met bloed besmeurd. [Slachtoffer 2] had diverse verwondingen in zijn gelaat, die “boogvormig” waren. De vloer en de muren rondom [slachtoffer 2] waren met bloed besmeurd. Ook de vloer van de badkamer was op diverse plaatsen met bloed besmeurd. Daar lagen eveneens delen van een koperen kandelaar, die met bloed waren besmeurd. Verder lag op de vloer van de badkamer een met bloed besmeurd mes. [Slachtoffer 1] werd aangetroffen in de woonkamer voor de keuken. Zij lag op haar rug en zat onder het bloed. Haar hals was doorgesneden en zij had eveneens “boogvormige” verwondingen aan haar gezicht. Ook rondom [slachtoffer 1] werden delen van een koperen kandelaar aangetroffen. De dood van de beide kinderen werd later door een arts officieel vastgesteld.

Patholoog drs. F.R.W. van de Goot van het Nederlands Forensisch Instituut heeft op 2 augustus 2005 sectie verricht op de lichamen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. In zijn obductieverslag concludeert hij dat het intreden van de dood van [slachtoffer 1] het gevolg was van bloedverlies, hersenletsel, weefselschade en verstikking ten gevolge van herhaaldelijke inwerking van hevig botsend geweld op onder andere het hoofd en herhaaldelijk stekend, snijdend en botsend geweld met één of meer voorwerpen op het hoofd, de borst, buik en hals. Het intreden van de dood van [slachtoffer 2] was het gevolg van hersenschade, bloedverlies en verstikking ten gevolge van herhaaldelijke inwerking van hevig botsend geweld op het hoofd en samendrukkend geweld op de hals.

In verband met haar verwondingen is aangeefster op 1 augustus 2005 overgebracht naar het ziekenhuis. Door de behandelend arts werden twee hoofdwonden op de achterzijde van haar hoofd en een hematoom rond haar mond geconstateerd.

De stang en het kunstgebit zijn door de technische recherche veiliggesteld en voor onderzoek gezonden naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Op het kunstgebit is bloed van aangeefster en van verdachte aangetroffen en op de stang is bloed aangetroffen van aangeefster.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep niet ontkend dat hij de tenlastegelegde gedragingen heeft begaan. Verdachte heeft slechts verklaard dat hij zich van het tenlastegelegde weinig meer weet te herinneren omdat hij destijds in een psychose verkeerde en vervolgens heeft de verdachte zich beroepen op zijn zwijgrecht.

Uit de geconstateerde feitelijke gang van zaken leidt het hof met zekerheid af dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd. Gelet op de hiervoor beschreven wijze van aantreffen van de lichamen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], de in hun nabijheid aangetroffen bebloede delen van een kandelaar en de conclusies van Van de Goot acht het hof bewezen dat verdachte zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] meermalen met de kandelaar heeft geslagen. Gelet op de geconstateerde verwondingen van [slachtoffer 1] en de conclusie Van de Goot acht het hof tevens bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] met het in de badkamer aangetroffen mes meermalen heeft gestoken en dat verdachte met dit mes haar hals heeft doorgesneden. Gezien de geconstateerde verwondingen van [slachtoffer 2] en de conclusie van Van de Goot acht het hof verder bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] heeft verwurgd. Voorts staat voor het hof vast dat verdachte zijn kunstgebit in de mond van aangeefster heeft geduwd, dat verdachte de nek van aangeefster heeft gedraaid en heeft getracht deze om te draaien en voorts dat verdachte meermalen met een stang op het hoofd en het lichaam van aangeefster heeft geslagen. Het hof gaat ervan uit dat verdachte de feiten heeft gepleegd terwijl hij verkeerde in een psychose die het gevolg was van amfetaminegebruik.

Opzet

De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het hem tenlastegelegde, omdat – aldus de raadsman – niet bewezen kan worden dat verdachte de hem verweten feiten met opzet heeft gepleegd. Volgens de raadsman verkeerde verdachte ten tijde van het plegen van de feiten in een amfetaminepsychose die zo allesomvattend was dat daarmee het opzet is aangetast.

Het hof is van oordeel dat voor een bewezenverklaring van opzet in de zin van "doelopzet" in alle drie de feiten onvoldoende bewijs voorhanden is. Voor de vraag of er sprake is van opzet in de voorwaardelijke zin overweegt het hof dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals in de onderhavige zaak de dood – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Naar het oordeel van het hof is dat in de onderhavige zaak het geval. Uit de hiervoor omschreven gedragingen van verdachte (met kracht met een metalen kandelaar een groot aantal slagen op het hoofd van jonge kinderen toebrengen, met een groot mes in de hals snijden, met kracht de hals dichtdrukken, trachten de nek om te draaien, een kunstgebit in de mond en/of keel duwen en met een metalen stang op het hoofd slaan) leidt het hof af dat verdachte ten aanzien van aangeefster en ten aanzien van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gehandeld met het opzet om hen te doden.

Naar het oordeel van het hof staat het feit dat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten in een amfetaminepsychose verkeerde niet in de weg aan het aannemen van opzet. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat verdachte tegenover de politie het volgende heeft verklaard – zakelijk weergegeven –:

(verklaring verdachte d.d. 9 augustus 2005, bijlage 13.3)

Ik zag dat [slachtoffer 3] via het balkon naar beneden ging of sprong. Ik riep toen naar [slachtoffer 3] iets van “Schijtlijster” of “Waarom ben je gesprongen”. Ik liep toen door de kamer en liep tegen [slachtoffer 1] op. Ik zag ook nog in mijn ooghoek [slachtoffer 2]. Tegen [slachtoffer 1] ben ik eerst gebotst. Daarna ben ik met [slachtoffer 2] gebotst.

 (verklaring verdachte d.d. 9 augustus 2005, bijlage 13.4)

Ik heb gebotst met [slachtoffer 2] en ik ben in de gang gevallen op [slachtoffer 2]. Dat is hetgeen ik me herinner.


Voorts neemt het hof in aanmerking dat [getuige 1] tegenover de politie als volgt heeft verklaard – zakelijk weergegeven –:

(verklaring [getuige 1] d.d. 9 augustus 2005, bijlage 10.2)

Ik zag de vrouw, die bij de bovenbuurman in het huis woont, het balkon op rennen. Ik ben mijn woning ingegaan. Op het moment dat ik in de woonkamer stond, hoorde ik de bovenbuurman roepen: “[Slachtoffer 2], [slachtoffer 2], zeg wat.” Ik was op dat moment niet langer dan vijf minuten binnen.

Op grond van deze verklaring van [getuige 1] neemt het hof als vaststaand aan dat verdachte zich kort na het voorval op het balkon heeft gericht tot [slachtoffer 2] en hem heeft herkend. Uit de inhoud van bovengenoemde verklaringen leidt het hof voorts af dat bij verdachte ten tijde van zijn handelen niet ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken. Dat het inzicht van verdachte betrekking had op een door een psychose verwrongen realiteit doet aan dat oordeel niet af.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Voorbedachte raad

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte terzake van moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en terzake van poging tot moord op aangeefster wordt veroordeeld. Volgens de advocaat-generaal kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte telkens met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Voor het aannemen van voorbedachte raad is vereist dat komt vast te staan dat het handelen van de verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door hem genomen besluit en dat de verdachte tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Het hof heeft niet uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat het handelen van verdachte ten aanzien van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en aangeefster het gevolg was van een tevoren door hem genomen besluit, zodat verdachte van de tenlastegelegde voorbedachte raad behoort te worden vrijgesproken. Het hof acht het niet uitgesloten dat verdachte bij zijn agressie tegenover de beide kinderen en zijn vriendin heeft gehandeld in een impuls en spreekt verdachte daarom vrij van moord c.q. poging tot moord.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:


1.

hij op of omstreeks 1 augustus 2005 te Tolbert, gemeente Leek, opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet - meermalen, met (een of meerdere delen van) een kandelaar/kaarsenhouder geslagen op/in het hoofd en/of lichaam van [slachtoffer 1] en/of - met een mes en/of buis/staafvormig voorwerp, althans met een of meerdere hard(e) en/of puntig(e) en/of scherp(e) voorwerp(en), en/of gestoken en/of gesneden op/in het hoofd en/of lichaam van [slachtoffer 1] en/of - (met kracht) de hals van [slachtoffer 1] samengedrukt en/of doorgesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden.

2.

hij op of omstreeks 1 augustus 2005 te Tolbert, gemeente Leek, opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet: - meermalen, met (een of meerdere delen van) een kandelaar/kaarsenhouder en/of met een mes, althans met een of meerdere hard(e) en/of puntig(e) en/of scherp(e) voorwerp(en), geslagen en/of gestoken en/of gesneden op/in het hoofd en/of lichaam van [slachtoffer 2] en/of - (met kracht) de hals van [slachtoffer 2] samengedrukt en/of (met kracht) op de hals van [slachtoffer 2] geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden.

3.

hij op of omstreeks 1 augustus 2005 te Tolbert, gemeente Leek, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), - zijn kunstgebit in de mond en/of keel van [slachtoffer 3] heeft geduwd en/of verder geduwd en/of - het hoofd en/of de nek van [slachtoffer 3] heeft vastgepakt en/of (om)gedraaid en/of - (meermalen) heeft gestompt en/of geslagen tegen het lichaam van [slachtoffer 3] en/of - met een stang heeft geslagen op het hoofd en/of schouder(s) en/of rug en/of pols van [slachtoffer 3], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

ten aanzien van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde: telkens: doodslag.

ten aanzien van het onder 3 primair bewezenverklaarde: poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van verdachte heeft ter zitting van het hof betoogd dat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten leed aan een stoornis als bedoeld in artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht, namelijk een psychose, dat tussen die stoornis en de gepleegde feiten een causaal verband bestaat en dat de stoornis van zodanige aard is dat zij de toerekening van de feiten in de weg staat. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de gevolgen voor verdachte volstrekt niet voorzienbaar waren en dat de vrijheid van verdachte om al dan niet amfetamine te gebruiken slechts zeer beperkt is geweest vanwege de jarenlange drugsverslaving van verdachte. Gelet hierop heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat de feiten, indien bewezen verklaard, niet aan verdachte kunnen worden toegerekend en dat verdachte om die reden dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat niet tot een hogere mate van toerekenbaarheid kan worden gekomen dan sterk verminderd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Door De Ranitz en Oudejans, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum, is eind 2005 een onderzoek ingesteld naar de geestvermogens van verdachte. Blijkens hun onderzoeksrapportage van 13 januari 2006 is bij verdachte sprake van een ernstige narcistische persoonlijkheidsstoornis en afhankelijkheid van amfetamine (speed). Ten tijde van de tenlastegelegde feiten verkeerde verdachte ten gevolge van een samenspel tussen de ernstige narcistische persoonlijkheidsstoornis en de verslaving aan amfetamine in een psychotische toestand. Hoewel er een nauw verband bestaat tussen verdachtes ernstige narcistische persoonlijkheidsstoornis en zijn ernstige afhankelijkheid van amfetamine, heeft de persoonlijkheidsstoornis van verdachte zijn vrijheid om er voor te kiezen om al dan niet amfetamine te gebruiken niet volledig aangetast. Hoewel ook de autonome ernstig verslavende eigenschappen van amfetamine verdachtes vermogen om het gebruik te minderen of te staken ernstig hebben aangetast, kan toch worden geconcludeerd dat verdachte enige, zij het zeer beperkte, verantwoordelijkheid draagt voor het zichzelf in een toestand van psychotische ontregeling brengen, en daarmee voor de massale doorbraak van agressieve impulsen die daar rechtstreeks uit voortvloeit. Op grond hiervan wordt door De Ranitz en Oudejans geconcludeerd dat het tenlastegelegde, indien bewezen verklaard, aan verdachte in sterk verminderde mate kan worden toegerekend.

In opdracht van het hof is verdachte in 2009 wederom ter observatie opgenomen in het Pieter Baan Centrum, waar een onderzoek is ingesteld naar de geestvermogens van verdachte. Een nieuw, volledig, multidisciplinair onderzoek heeft evenwel niet kunnen plaatsvinden, omdat verdachte weigerde daaraan mee te werken. Wel is het gedrag van verdachte geobserveerd.

In hun rapportage van 30 december 2009 concluderen De Ranitz en Oudejans dat er geen gronden zijn om af te wijken van de wijze waarop zij in 2006 de vraagstelling hebben beantwoord. Dit betekent dat zij concluderen dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde leed aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een amfetamineverslaving en aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een narcistische persoonlijkheidsstoornis. Voorts concluderen de genoemde gedragsdeskundigen dat de amfetamineverslaving en de narcistische persoonlijkheidsstoornis nauw met elkaar verweven zijn, dat er ten tijde van het tenlastegelegde sprake was van een amfetaminepsychose en dat verdachte – gegeven de pathologische doorwerking van de combinatie van de (nauw met elkaar verweven) amfetamineverslaving en de narcistische persoonlijkheidsstoornis en de resulterende ernstige aantasting van zijn wilsvrijheid – sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

Het hof neemt over en maakt tot het zijne het oordeel van De Ranitz en Oudejans dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde leed aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een amfetamineverslaving en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een narcistische persoonlijkheidsstoornis, dat de narcistische persoonlijkheidsstoornis van verdachte en zijn amfetamineverslaving nauw met elkaar verweven zijn en dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde verkeerde in een amfetaminepsychose.

Het hof is van oordeel dat het gegeven dat sprake was van een amfetaminepsychose niet leidt tot de conclusie dat de feiten verdachte in het geheel niet of in sterk verminderde mate kunnen worden toegerekend, omdat bij het besluit tot het gebruik van amfetamine de eigen keuze van verdachte een rol heeft gespeeld. Verdachte kon weten dat het gebruik van amfetamine bepaald niet is ontbloot van risico, althans dat dit middel zijn functioneren zodanig kon beïnvloeden dat daaruit riskant gedrag zou kunnen ontstaan. Verdachte kon als regelmatig gebruiker van amfetamine immers weten dat het gebruik van dat middel effect heeft op de psychische toestand van de gebruiker. Bovendien is amfetamine een verboden middel. Omdat verdachte desondanks het middel is gaan gebruiken en het jarenlang heeft gebruikt, draagt hij belangrijke strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor zijn daden en de gevolgen daarvan. Aan het voorgaande doet niet af dat verdachte de vèrstrekkende gevolgen die zijn gebruik in het concrete geval heeft gehad, niet heeft voorzien. Weliswaar had verdachte de keuze om al dan niet amfetamine te gebruiken, maar de wilsvrijheid van verdachte werd wel in zekere mate beperkt door de narcistische persoonlijkheidsstoornis. Om die reden is het hof van oordeel dat de feiten verdachte in licht verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Verdachte is strafbaar aangezien ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld wegens het onder 1 primair (moord), 2 primair (moord) en 3 primair (poging tot moord) tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, met aftrek van voorarrest, met last tot terbeschikkingstelling en met bevel tot verpleging van overheidswege.


Straf

Het hof neemt bij de straftoemeting het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft getracht zijn toenmalige vriendin, [slachtoffer 3], van het leven te beroven. Hij heeft daartoe zijn kunstgebit in haar mond geduwd, waardoor zij nauwelijks nog kon ademhalen, haar nek gedraaid, haar meermalen gestompt en haar ten slotte meermalen met een stang geslagen. Nadat [slachtoffer 3], om aan verdachte te ontkomen, van het balkon was gesprongen, heeft verdachte haar twee kinderen, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], van respectievelijk vier en twee jaar oud, op een zeer gewelddadige wijze om het leven gebracht. Beide kinderen hadden tal van verwondingen, veroorzaakt door het slaan met een metalen kandelaar. Daarnaast heeft verdachte de keel van [slachtoffer 1] doorgesneden en de keel van [slachtoffer 2] samengedrukt.

De dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft verdriet en ontreddering teweeggebracht bij de nabestaanden. [Slachtoffer 3] en [naam nabestaande], de biologische vader van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], zullen hun kinderen niet meer zien opgroeien. Daarnaast is de rechtsorde door de bewezenverklaarde feiten geschokt.

Gezien de aard en de ernst van de feiten komt geen andere straf in aanmerking dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Voor het bepalen van de duur van de gevangenisstraf is van belang dat de feiten verdachte niet volledig doch in licht verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Anders dan de advocaat-generaal en de rechtbank acht het hof niet bewezen dat verdachte de feiten met voorbedachte raad heeft gepleegd. Om die reden komt het hof tot een lagere gevangenisstraf dan door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is geëist.

Alles afwegende, is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren passend en geboden is.

Maatregel

De raadsman heeft verzocht om verdachte niet de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. Volgens de raadsman kan deze maatregel niet worden opgelegd, omdat door de verdediging niet wordt ingestemd met het gebruik van het op 13 januari 2006 uitgebrachte advies van De Ranitz en Oudejans. De raadsman stelt zich op het standpunt dat daaraan niet afdoet dat de genoemde gedragsdeskundigen opnieuw hebben gerapporteerd. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat het in het recente rapport vervatte advies niet is gebaseerd op nieuw onderzoek, maar dat slechts de redenering uit 2006 wordt herhaald. Voorts heeft de raadsman inhoudelijk verweer gevoerd tegen oplegging van de maatregel. Daarbij heeft de raadsman onder meer verwezen naar het advies dat De Ruiter omtrent verdachte heeft uitgebracht en de toelichting die zij heeft gegeven ter terechtzitting van het eerder behandelende hof.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Aan een verdachte kan de maatregel van terbeschikkingstelling worden opgelegd, indien tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, het een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist. In de onderhavige zaak hebben meerdere gedragsdeskundigen over de geestvermogens van verdachte gerapporteerd. Het hof beschikt over de volgende gedragsrapportages:

- Een consultbrief van psychiater B.T. Takkenkamp, mede namens kinder- en jeugdspsychiater S. Seinen, gedateerd 4 augustus 2005. - Een rapport Pro Justitia, opgemaakt door psychiater A.G.S. de Ranitz en psycholoog J.M. Oudejans, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum, gedateerd 13 januari 2006. - Een rapport Pro Justitia, opgemaakt door psychiater prof. dr. A.M. Korebrits, gedateerd 5 maart 2007. - Een rapport Pro Justitia, opgemaakt door klinisch psycholoog prof. dr. C. de Ruiter, gedateerd 6 maart 2007 (definitieve rapportage d.d. 23 maart 2007). - Een rapport Pro Justitia, opgemaakt door psychiater A.G.S. de Ranitz en psycholoog J.M. Oudejans, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum, gedateerd 30 december 2009.

Op grond van artikel 37a, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 37, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt een last tot terbeschikkingstelling slechts gegeven nadat er is overgelegd een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines – waaronder een psychiater – die de betrokkene hebben onderzocht. Naar het oordeel van het hof wordt met het rapport Pro Justitia, opgemaakt door psychiater A.G.S. de Ranitz en psycholoog J.M. Oudejans en gedateerd 30 december 2009 aan dit vereiste voldaan. Daaraan doet niet af dat bij verdachte, vanwege zijn weigering daaraan mee te werken, geen volledig psychologisch en psychiatrisch onderzoek kon worden uitgevoerd. Van het advies dat door De Ranitz en Oudejans op 13 januari 2006 is uitgebracht, kan geen gebruik worden gemaakt voor het geven van een last tot terbeschikkingstelling, nu dit advies eerder dan één jaar voor aanvang van de terechtzitting in hoger beroep is gedagtekend en de verdediging niet heeft ingestemd met het gebruik ervan. Wel neemt het hof op voet van artikel 37a, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht de inhoud van deze rapportage in aanmerking, evenals de inhoud van de andere hierboven genoemde rapporten.

De Ranitz en Oudejans hebben in hun rapport van 13 januari 2006 geadviseerd om verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen, met bevel tot verpleging van overheidswege. Volgens de genoemde gedragsdeskundigen zijn de tenlastegelegde feiten gepleegd in een psychotische toestand. De psychotische decompensatie en de massale agressieve impulsdoorbraak waren het gevolg van een samenspel tussen een ernstige narcistische persoonlijkheidsstoornis en een verslaving aan amfetamine. Gezien de ernst van de narcistische pathologie en het risico op terugval in de verslaving aan amfetamine, indien verdachtes persoonlijkheidsstoornis en verslaving onbehandeld blijven, schatten de genoemde gedragsdeskundigen het risico op nieuwe psychotische ontregelingen in als aanzienlijk. Op grond van de aard en de weging van de risicofactoren van het risicotaxatie-instrument HRC-20 kan volgens hen geconcludeerd worden dat de recidivekans groot is. Gezien de ernst van de tenlastegelegde feiten, het ontbreken van enig ziektebesef en –inzicht bij verdachte en de te verwachten lange duur van een klinische behandeling achten De Ranitz en Oudejans behandeling in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden niet afdoende. In hun rapport van 30 december 2009 blijven De Ranitz en Oudejans bij hun eerder gegeven advies. Volgens de gedragsdeskundigen leed verdachte ten tijde van het tenlastegelegde aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een amfetamineverslaving en aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een narcistische persoonlijkheidsstoornis en bestaat er een grote kans op herhaling van vergelijkbare ernstige geweldsdelicten indien verdachte onbehandeld in de maatschappij terugkeert. Ter terechtzitting van het hof hebben Oudejans en De Ranitz het door hen aanwezig geachte verband tussen de persoonlijkheidsstoornis van verdachte, zijn amfetamineverslaving en het gevaar voor herhaling als volgt nader toegelicht. Verdachte lijdt aan een narcistische persoonlijkheidsstoornis, die maakt dat verdachte grote verwachtingen heeft van zichzelf en gevoelig is voor het gebruik van middelen die het zelfgevoel opkrikken, zoals amfetamine. De behoefte om zich bijzonder te voelen, neemt toe naarmate de kloof tussen het zelfbeeld en de realiteit groter wordt. Verdachte heeft twee mogelijkheden om deze kloof te dichten, namelijk door zich te storten op religie dan wel door amfetamine te gebruiken. Het ligt niet voor de hand dat de eerste mogelijkheid voor verdachte voldoet. De kans is derhalve groot dat verdachte na detentie wederom amfetamine gaat gebruiken en daaraan verslaafd raakt. Amfetaminegebruik verhoogt het risico op psychotische ontregeling. Gelet op de inhoud van psychotische belevingen die verdachte heeft gehad, bestaat een grote kans op een herhaling van soortgelijke feiten als tenlastegelegd.

Het hof stelt vast dat Korebrits eveneens tot de conclusie komt dat verdachte ten tijde van de delicten lijdend was aan een narcistische persoonlijkheidsstoornis, zij het dat zijn inschatting van de ernst van de stoornis afweek van die van Oudejans en De Ranitz. De opvatting van De Ruiter, inhoudende dat verdachte niet lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis, staat op zichzelf en vermag het hof niet overtuigen.

Het hof neemt over en maakt tot het zijne het oordeel van De Ranitz en Oudejans dat verdachte tijdens het begaan van de feiten leed aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een amfetamineverslaving en aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een narcistische persoonlijkheidsstoornis. Voorts acht het hof, op grond van de inhoud van de onderzoeksrapportage van 30 december 2009 en de daarop door Oudejans en De Ranitz ter terechtzitting in hoger beroep gegeven toelichting, de kans groot dat verdachte zonder behandeling van zijn narcistische persoonlijkheidsstoornis en zijn amfetamineverslaving wederom ernstige geweldsdelicten zal plegen.

Het hof zal op grond van het vorenstaande bevelen dat verdachte ter beschikking wordt gesteld. De bewezenverklaarde feiten betreffen misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist het opleggen van de maatregel.

Het hof zal voorts bevelen dat verdachte van overheidswege zal worden gepleegd, daar de algemene veiligheid van personen of goederen die verpleging eist.


De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 30.844,20. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 18.219,20. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De voeging ter zake van haar in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding duurt derhalve voort in het geding in hoger beroep.

Uit de bij het voegingsformulier gevoegde toelichting blijkt dat de vordering als volgt is opgebouwd:

1) Dagvergoeding ziekenhuis € 625,- 2) Immateriële schade benadeelde € 2.000,- 3) Kosten lijkbezorging € 8.219,20 4) Shockschade nabestaande € 20.000,-

De eerste twee posten hebben betrekking op de schade die de benadeelde partij stelt te hebben geleden als direct slachtoffer, dus betrekking hebbend op het jegens haar gepleegde geweld. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 2.625,-. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat dit deel van de vordering zal worden toegewezen.

De overige twee posten hebben betrekking op de schade die de benadeelde partij stelt te lijden en hebben geleden als nabestaande. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 8.219,20 ter vergoeding van de kosten van de lijkbezorging. Deze schade is rechtstreeks toegebracht door het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde en de vordering is wat deze post betreft voldoende onderbouwd. Het hof stelt deze schade derhalve vast op voornoemd bedrag. Uit de stukken blijkt dat de benadeelde partij de kosten van de lijkbezorging heeft gedragen, zodat ingevolge het bepaalde in artikel 51a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 106, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat ook dit deel van de vordering zal worden toegewezen.

Voorts vordert de benadeelde partij een bedrag van € 20.000,- ter vergoeding van shockschade. Shockschade heeft betrekking op de immateriële schade die ontstaat door het waarnemen van het bewezenverklaarde feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Hieronder valt dus niet het enkele verdriet van de ouder om het verlies van het kind, hoe invoelbaar en hoe zwaar dit voor die ouder ook moge zijn. Het hof acht voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde shockschade heeft geleden. Voor vergoeding van shockschade is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Gelet op de inhoud van de brief van drs. H.J. de Mönnink, traumapsycholoog en GZ-psycholoog, d.d. 1 februari 2006 (in kopie gehecht aan het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank te Groningen van 2 februari 2006), inhoudende dat bij de benadeelde partij sprake is van een posttraumatische stressstoornis, is het hof van oordeel dat aan dit vereiste is voldaan. Het hof acht de vordering ter zake van shockschade toewijsbaar tot een bedrag van € 8.000,-, nu de vordering voor dat gedeelte niet onrechtmatig en ongegrond voorkomt. Voor het overige acht het hof de vordering ter zake van shockschade niet eenvoudig van aard, zodat de benadeelde partij voor dat deel van de vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 37a, 37b, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.


BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

ten aanzien van het onder onder 1 primair, 2 primair en 3 primair bewezenverklaarde Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

De in beslag genomen voorwerpen Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een paspoort - een computer - een cd-rom - een harddisk.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]: Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3], te betalen een bedrag van € 18.219,20 (achttienduizend tweehonderdnegentien euro en twintig cent).

Verklaart de benadeelde partij, [slachtoffer 3], in haar vordering voor het overige niet ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [slachtoffer 3], een bedrag te betalen van € 18.219,20 (achttienduizend tweehonderdnegentien euro en twintig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 126 (honderdzesentwintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.


Aldus gewezen door mr J.M.J. Denie, voorzitter, mr E. van der Herberg en mr M.A.F. Cools-Weebers, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr K.A.M. Oude Vrielink, griffier, en op 17 februari 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.