weebly reliable statistics
Uitspraak Elvira de Ridder - Moordzaken
Uitspraak Elvira de Ridder

Uit Moordzaken

Ga naar: navigatie, zoeken

Uitspraak

RECHTBANK BREDA


Parketnummer: 02/801140-05


1 Partijen. Onderzoek van de zaak. In de zaak onder het eerste vermelde parketnummer van de officier van justitie in het arrondissement Breda alsmede in de zaak onder parketnummer 02/004487-04 met betrekking tot de vordering tot tenuitvoerlegging, tegen:

[verdachte], geboren [adres]en plaats], wonende te [adres], thans gedetineerd in Huis van Bewaring Grave (Unit A+B), Muntlaan 1 te Grave,


heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting. Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en het verweer dat naar voren is gebracht door de verdachte en de raadsman, mr. Anker, advocaat te Breda.


2 De tenlastelegging. De verdachte staat terecht, terzake dat

1.

hij op of omstreeks 19 augustus 2005 te Breda tezamen en in vereniging met een ander, althans hij verdachte, opzettelijk (op en/of ter hoogte van de (kruising van de) Tuizigtlaan en/of de Acaciastraat en/of Argusvlinder) E.G. De Ridder van het leven heeft beroofd, immers is verdachte met dat opzet als bestuurder van een personenauto, terwijl hij, verdachte, een ((zeer) grote) hoeveelheid alcoholhoudende drank genuttigd had, met een (zeer) hoge snelheid, althans een hogere snelheid dan ter plaatse is toegestaan, althans met onverminderde snelheid, de kruising van de Tuinzigtlaan met de Acaciastraat op- en overgereden op het moment dat voornoemde De Ridder op de fiets vanuit de Acacialaan diezelfde kruising op reed, en heeft hij, verdachte, die De Ridder (die van rechts kwam en voorrang had) geen voorrang verleend, althans geen vrije doorgang verleend, waardoor hij met zijn personenauto tegen de fiets en/of het lichaam van die De Ridder is aangereden, (mede) tengevolge waarvan die De Ridder is overleden; art 287 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 augustus 2005 te Breda als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (zijnde een personenauto, merk Volkswagen, kenteken [kenteken]), daarmede rijdende over de weg, te weten de kruising van de Tuinzigtlaan met de Acaciastraat en/of de Argusvlinder, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, in elk geval in hoge, althans aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onachtzaam en of onnadenkend en/of ondeskundig, na het nuttigen van een ((zeer) grote) hoeveelheid alcoholhoudende drank, met een (zeer) hoge snelheid, althans een hogere snelheid dan ter plaatse is toegestaan, althans met onverminderde snelheid, de kruising van de Tuinzigtlaan met de Acaciastraat en/of de Argusvlinder op- en/of over te rijden op het moment dat E.G. De Ridder op de fiets diezelfde kruising op reed, en die De Ridder (die van rechts kwam en voorrang had) geen voorrang te verlenen, althans geen vrije doorgang te geven, waardoor hij met zijn personenauto tegen de fiets en/of het lichaam van die De Ridder is aangereden, (mede) waardoor voornoemde De Ridder werd gedood, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd; art 6 Wegenverkeerswet 1994 art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994 art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994 art 8 lid 2 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994

tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 augustus 2005 te Breda als bestuurder van een voertuig, (een personenauto (merk Volkswagen, kenteken [kenteken])), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht; art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994


2.

hij op of omstreeks 19 augustus 2005 te Breda als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto, merk [kenteken]) betrokken bij een verkeersongeval op en/of ter hoogte van de kruising van de Tuinzigtlaan met de Acaciastraat en/of de Argusvlinder, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden een ander (te weten E.G. de Ridder) was gedood, dan wel aan een ander (te weten E.G. de Ridder) letsel en/of schade was toegebracht; art 7 lid 1 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 augustus 2005 te Breda als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto, merk [kenteken]) betrokken bij een verkeersongeval op en/of ter hoogte van de kruising van de Tuinzigtlaan met de Acaciastraat en/of de Argusvlinder, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten E.G. de Ridder) aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten; art 7 lid 1 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994


3 De geldigheid van de dagvaarding. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.


4 De bevoegdheid van de rechtbank. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.


5 De ontvankelijkheid van de officier van justitie. Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Hij kan dus in zijn vordering worden ontvangen.


6 Schorsing der vervolging. Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.


7 De bewezenverklaring. Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 19 augustus 2005 te Breda opzettelijk op de -kruising van de Tuinzigtlaan en de Acaciastraat en de Argusvlinder- E.G. De Ridder van het leven heeft beroofd, immers is verdachte met dat opzet als bestuurder van een personenauto, terwijl hij, verdachte, een zeer grote- hoeveelheid alcoholhoudende drank genuttigd had, met onverminderde snelheid, de kruising van de Tuinzigtlaan met de Acaciastraat op- en overgereden op het moment dat voornoemde De Ridder op de fiets vanuit de Acaciastraat diezelfde kruising op reed, en heeft hij, verdachte, die De Ridder -die van rechts kwam en voorrang had- geen voorrang verleend, waardoor hij met zijn personenauto tegen de fiets en het lichaam van die De Ridder is aangereden, tengevolge waarvan die De Ridder is overleden.


2.

op 19 augustus 2005 te Breda als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto, kenteken [kenteken]) betrokken bij een verkeersongeval op de kruising van de Tuinzigtlaan met de Acaciastraat en de Argusvlinder, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist een ander -te weten E.G. de Ridder letsel en/of schade was toegebracht.


Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de weergave van de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.


Hetgeen hem onder 1 primair en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.


8 Het bewijs. De overtuiging van de rechtbank, dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

8.1 De bewijsmiddelen. Feiten 1 en 2

8.1.1 het ambtsedig proces-verbaal van Unit Forensisch Technisch onderzoek d.d. 7 november 2005, proces-verbaal nr. PL2034/05-221524, opgenomen als bijlage bij het proces-verbaal nr. PL2005/05-011146 van de politie regio Midden en West Brabant, in de wettelijke vorm opgemaakt door de verbalisanten M.J.J. van Miert, P.M.T. Swaans, J.W. de Kraker, A.G.M. van den Bersselaar en J.A.A. Claessens. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in als relaas van eigen waarnemingen en bevindingen van de verbalisanten: Er heeft een reconstructie plaatsgevonden van een verkeersongeval waarbij een personenauto, Volkswagen golf, kenteken [kenteken] en een fiets betrokken waren. Het ongeval heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2005, omstreeks 21.26 uur.

 Ten tijde van het ongeval was het wegdek droog en schoon. Er werden aan de personenauto en aan de fiets geen gebreken geconstateerd die het ongeval veroorzaakt of mede veroorzaakt zouden kunnen hebben.

De personenauto had gereden over de Tuinzigtlaan, komende vanaf de Ettensebaan en rijdende richting Meidoornstraat. De fietser had gereden over de Acaciastraat in de richting van de kruising met de Tuinzigtlaan en de Argusvlinder en reed vervolgens het kruisingsvlak op. Op het kruisingsvlak botste de personenauto met de rechtervoorzijde tegen de linkerzijde van de fiets. Er zijn geen bandensporen aangetroffen op het wegdek. De personenauto was na de aanrijding doorgereden en werd niet meer op de plaats van het ongeval aangetroffen. Op grond van de inpassing van de koplamp glasdelen (souche) werd de personenauto op de plaats van het ongeval gebracht. Op grond van het resultaat van de schade-inpassing tussen de personenauto en de fiets, werd het contact tussen die fiets en de personenauto aangetoond.

8.1.2 het op ambsbelofte opgemaakte proces-verbaal d.d. 21 augustus 2005, proces-verbaal nr. PL2035/05-221524 opgenomen in het proces-verbaal nr. PL2005/05-011146 van de politie regio Midden en West Brabant, in de wettelijke vorm opgemaakt door de verbalisant M.G. de Koning. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in als relaas van eigen waarneming en bevinding van de verbalisant: Op 20 augustus 2005 hoorde ik als betrokkene een vrouw die opgaf te zijn [moeder slachtoffer] die verklaarde: Op 20-08-2005 herkende ik mijn dochter genaamd; DE RIDDER, ELVIRA [adres] als slachtoffer van de dodelijke aanrijding op de kruising van de Tuinzigtlaan en de Acaciastraat te Breda op 19-08-2005.

8.1.3 Het verslag betreffende een niet-natuurlijke dood, opgemaakt door J.M. van Roessel, lijkschouwer van de gemeente Breda, d.d. 20 augustus 2005, opgenomen als bijlage bij het proces-verbaal nr. PL2005/05-011146 van de politie regio Midden en West Brabant en, zakelijk weergegeven, inhoudende: De doodsoorzaak van Elvira Gladys de Ridder op 19 augustus 2005 is hersentrauma fors, met schedelfractuur en zeer waarschijnlijk schedelbasisfractuur.

8.1.4 het ambtsedig proces-verbaal d.d. 23 augustus 2005, proces-verbaal nr. PL2030/05-221524 opgenomen in het proces-verbaal nr. PL2005/05-011146 van de politie regio Midden en West Brabant, in de wettelijke vorm opgemaakt door de verbalisant J.C.M. Leemans. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in als relaas van eigen waarneming en bevinding van de verbalisant: Op zondag 20 augustus 2005 zijn wij, verbalisanten Leemans, Velings, Koole, Neumann en Van de Ven met een machtiging tot binnentreden naar locatie [adres en naam verdachte] was niet aanwezig. In de garage troffen wij een donkerblauwe Volkswagen Golf met kenteken [kenteken]. De auto is in beslag genomen.

8.1.5 het op ambsbelofte opgemaakte proces-verbaal d.d. 21 augustus 2005, proces-verbaal nr. PL2030/05-221510, opgenomen in het proces-verbaal nr. PL2005/05-011146 van de politie regio Midden en West Brabant, in de wettelijke vorm opgemaakt door de verbalisant P.O. van Enter. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in als relaas van eigen waarneming en bevinding van verbalisant: Op 21 augustus 2005 hoorde ik als getuige een vrouw die opgaf te zijn [getuige] die verklaarde: Op vrijdag 19 augustus omstreeks 21.15 uur reed ik over de Zundertseweg te Roosendaal. Ik zag dat voor mij een donkerblauwe Volkswagen Golf slingerde over de weg. Ik zag dat de auto niet een constante snelheid hield. Ik zag dat de Golf, kenteken [kenteken], stopte en dat de passagier uitstapte. Mij is opgevallen dat de man zeer dronken was. Ik zag dat de man wilde instappen. Ik zag dat de bestuurder met piepende banden wegreed, terwijl de passagier nog niet helemaal was ingestapt en dat de deur nog openstond. Er zaten sowieso twee personen in de auto.

8.1.6 het ambtsedig proces-verbaal d.d. 20 augustus 2005, proces-verbaal nr. PL2035/05-221524, opgenomen in het proces-verbaal nr. PL2005/05-011146 van de politie regio Midden en West Brabant, in de wettelijke vorm opgemaakt door de verbalisant G.C. Donkersloot. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in als relaas van eigen waarneming en bevinding van de verbalisant: Op 19 augustus 2005 hoorde ik als getuige een man die opgaf te zijn [getuige], die verklaarde: Ik zat op mijn balkon van Tuinzigtlaan 169 toen ik een harde klap hoorde. Ik zag iets op de weg liggen. Ik zag dat de auto zijn lichten uit deed en met hoge snelheid richting de Meidoornstraat reed.

8.1.7 het op ambsbelofte opgemaakte proces-verbaal d.d. 21 augustus 2005, proces-verbaal nr. PL2033/05-221524, opgenomen in het proces-verbaal nr. PL2005/05-011146 van de politie regio Midden en West Brabant, in de wettelijke vorm opgemaakt door de verbalisant E.E.L. Slot. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in als relaas van eigen waarneming en bevinding van verbalisant: Op 21 augustus 2005 hoorde ik als getuige een vrouw die opgaf te zijn[getuige], die verklaarde: Op vrijdagavond, 19 augustus 2005, omstreeks 21.30 uur reed ik op mijn bromfiets over het fietspad van de Lunetstraat. Voor de verkeerslichten van de Lunetstraat stond ik stil. Ik hoorde een auto met hoge snelheid aankomen. Ik zag een auto uit de Meidoornlaan komen. (De rechtbank begrijpt uit de rest van de getuigenverklaring dat bedoeld wordt: Meidoornstraat.) Ik zag dat deze auto geen lichten aan had. Het was een donkerblauwe Golf waarin twee manspersonen zaten. Ik kreeg de indruk dat ze in paniek waren. Ik maakte dit op uit hun gedrag. Ik hoorde ze constant gas geven. Ik zag dat de ramen van de beide portieren naar beneden gedraaid waren. Ik zag dat de ruitenwissers in de snelste stand over de voorruit gingen, terwijl het helemaal niet regende.

 Op het moment dat de Volkswagen voor het verkeerslicht stond, stond er ook een politiebus te wachten.
 Plotseling deed deze zwaailicht en sirene aan en ging de Lunetstraat in, in de richting van de Meidoornlaan. Ik merkte toen aan de inzittenden van de blauwe Golf dat ze nog verder in paniek raakten.
 Ik zag dat de rechterkant van de auto smerig was. Ik zag dat de voorruit beslagen was.

8.1.8 het ambtsedig proces-verbaal d.d. 20 augustus 2005, proces-verbaal nr. PL26S0/05-044450 opgenomen in het proces-verbaal nr. PL2005/05-011146 van de politie regio Midden en West Brabant, in de wettelijke vorm opgemaakt door de verbalisanten K. Wijers en L. Querido. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in als relaas van eigen waarneming en bevinding van de verbalisanten: Vrijdag 19 augustus 2005 omstreeks 21.45 uur zagen wij, verbalisanten, in uniform gekleed en belast met de surveillance op station Breda, een jongen lopen. Wij zagen dat voor het Mercurius Hotel een personenauto geparkeerd stond. Deze auto stond met draaiende motor, geopende voorportieren en radio aan, geparkeerd. Het kenteken, merk, type of model van deze auto is ons niet bekend. De jongen gaf aan dat de auto bij hem hoorde. Wij hebben hem medegedeeld dat de radio zachter moest en dat ze elders moesten parkeren, waarop de jongen zei dat ze weg zouden gaan. Hij stapte in aan de zijde van de bijrijder. Deze jongen herkenden wij a[verd[verdachte]]

8.1.9 het ambtsedig proces-verbaal d.d. 23 augustus 2005, proces-verbaal nr. PL2030/05-221524, opgenomen in het proces-verbaal nr. PL2005/05-011146 van de politie regio Midden en West Brabant, in de wettelijke vorm opgemaakt door de verbalisant C.J.A. Roovers. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in als relaas van eigen waarneming en bevinding van de verbalisanten: Op 22 augustus 2005 hoorden wij als getuige een vrouw die opgaf te zijn[getuige]] die verklaarde: Op vrijdagavond 19 augustus 2005 om ongeveer 21.00 z[verdachte]verdachte] en [verd[verdachte] weggegaan. Ik zag dat, toen [verdachte] in zijn auto stapte, hij bijna uit zijn auto viel. Ik zag, dat hij op een gegeven moment naast zijn auto lag. Ik zag dat [verdachte] de auto bestuurde. Om ongeveer 21.50 uur heeft Paul naar [verdachte] gebeld. Ik hoorde [verdachte] tegen Paul zeggen dat hij iemand had aangereden. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat ze gezocht werden en dat hij snel moest ophangen.

8.1.10 het ambtsedig proces-verbaal d.d. 24 augustus 2005, proces-verbaal nr. PL2030/05-221524, opgenomen in het proces-verbaal nr. PL2005/05-011146 van de politie regio Midden en West Brabant, in de wettelijke vorm opgemaakt door de verbalisanten C.J.A. Roovers en R.P. van Reenen. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in als relaas van eigen waarneming en bevinding van de verbalisanten: Op 24 augustus 2005 hoorden wij als getuige een man die opgaf te zijn [getuige], die verklaarde: Op vrijdag 19 augustus 2005 wilde ik een feestje bouw[verdachte]verdachte] heeft toen ook flink gedronken. Om ongeveer 21.00 uur z[verdachte]verdachte] en [verd[verdachte] weggegaan. Ik vond het niet verstandig dat [verdachte] als bestuurder ging rijden. Ik heb [verdachte] rond 22.00 uur gebeld om te vragen waar ze bleven. Ik weet nog dat [verdachte] heeft gezegd dat hij een aanrijding had gehad. Mogelijk heeft hij het over een aanrijding met “iets” of “iemand” gehad, maar dat weet ik niet. Ik herinner me wel, dat hij heeft gezegd dat hij nu moest ophangen. We zaten met zijn drieën, Linda, Patrick en ik, op de bank. Om ongeveer 23.45 uur zag ik de auto van [verdachte]. Ik ben toen naar zijn auto gaan kijken. Toen ik [verdachte] vroeg waar hij tegenaan had gezeten, zei hij dat hij tegen een paaltje was gereden. Gezien de schade aan de auto, had ik het idee dat er een andere aanrijding was gebeurd. Ik dacht dat hij tegen een andere auto was gereden.

8.1.11 het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal d.d. 21 augustus 2005, proces-verbaal nr. PL2037/05-221524, opgenomen in het proces-verbaal nr. PL2005/05-011146 van de politie regio Midden en West Brabant, in de wettelijke vorm opgemaakt door de verbalisanten C.R. Nannes en E.E.L. Slot. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, als relaas van eigen waarneming en bevinding van de verbalisanten: Op zondag 21 augustus 2005, omstreeks 14.25 uur, hoorden wij als verdachte een man die opgaf te zijn [verdachte], die verklaarde: Op vrijdag 19 augustus 2005 heb ik met [verd[verdachte] en mogelijk nog iemand anders 3 liter wodka gedronken. Later op de avond ben ik in mijn auto gestapt. Dit was mijn Volkswagen Golf, blauw van kleur. Ik heb geen idee waar ik geweest ben. De volgende morgen zag ik pas goed de ontstane schade. Ik had echt het idee dat ik een paal had geraakt. Ik heb mijn vader gebeld en die zei dat ik mijn auto maar naar zijn huis moest brengen. Patrick heeft me toen met mijn auto naar de Bredaseweg in Roosendaal gesleept.

8.2 De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs. De raadsman heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken, nu op grond van de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat de auto van verdachte bij het ongeval betrokken is geweest. Daartoe heeft de raadsman – kort samengevat – het volgende aangevoerd. In de eerste plaats heeft de raadsman aangevoerd dat het proces-verbaal verkeersongeval-analyse, uitgevoerd door Unit Forensisch Technisch Onderzoek, diverse mankementen vertoont. De vraagstelling is, zo heeft de raadsman betoogd, niet objectief: “Het onderzoek was erop gericht om de betrokkenheid van het voertuig bij het ongeval aan te tonen.” Ook uit het souche-onderzoek en de schade-inpassing is volgens de raadsman onvoldoende gebleken hoe groot de kans was dat dezelfde resultaten behaald zouden kunnen worden met een willekeurig ander voertuig met schade. Bovendien heeft de raadsman aangevoerd dat er geen bloedsporen op de auto van verdachte zijn aangetroffen en dat er geen overdrachtssporen zijn aangetroffen van de auto op de fiets en vice versa.

Daarnaast heeft de raadsman een aantal kanttekeningen geplaatst bij de diverse getuigenverklaringen. Zo heeft getuige [getuige] de auto omschreven als een donkergrijze Opel Astra. Daarnaast hebben zowel getuige [getuige] als verbalisanten Weijers en Querido niet verklaard dat zij schade hebben waargenomen aan de auto van verdachte. De stelling van de raadsman is derhalve, dat op het moment dat laatstgenoemde getuigen de auto hebben gezien er nog geen schade op de auto zat, terwijl het ongeval moet hebben plaatsgevonden voordat deze getuigen de auto van verdachten hebben waargenomen. De conclusie zou, volgens de raadsman, moeten zijn dat de auto van verdachte derhalve niet betrokken is geweest bij het ongeval. Dit wordt volgens de raadsman nog bevestigd door het feit dat getuige [getuige] de auto van verdachte omstreeks 21.15 uur heeft gezien in Roosendaal en dat de auto dus nooit op het tijdstip van het ongeval op de plaats van het ongeval had kunnen zijn.

Ook de getuigenverklaring van mevrouw [getuige] wordt door de raadsman van verdachte in twijfel getrokken. Zij heeft het telefoongesprek tussen verdachte en [getuige] niet kunnen horen en heeft de feiten volgens de raadsman eigenhandig aangevuld.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. De rechtbank is het met de raadsman eens dat de vraagstelling in het technisch onderzoek erg ongelukkig is, maar dit laat onverlet dat het antwoord negatief had kunnen zijn. Er bestaat bij de rechtbank geen twijfel dat de auto en de fiets met elkaar in botsing zijn geweest. Als er al een kans is dat het souche-onderzoek met een willekeurige andere auto met schade tot hetzelfde resultaat had geleid, is deze kans in combinatie met de kans dat op deze willekeurige auto ook de overige schade heeft gezeten die is in te passen met de fiets van het slachtoffer, erg klein. Als hierbij dan nog de kans wordt meegewogen dat deze willekeurige andere auto met schade deze schade op dezelfde avond heeft opgedaan als de auto van verdachte, 19 augustus 2005, is de kans op dit gehele complex aan feiten verwaarloosbaar klein. Het feit dat er geen bloedsporen op de auto gevonden werden en dat er geen overdrachtssporen te vinden waren, sluit niet uit dat de auto in botsing is geweest met de fiets, zeker gelet op de wèl aanwezige sporen.

Ten aanzien van de getuigenverklaringen merkt de rechtbank het volgende op. Getuige [getuige] heeft de auto van verdachte gezien in Roosendaal omstreeks 21.15 uur. Gelet op het feit dat deze getuige spreekt over omstreeks, kan dit eerder zijn geweest, temeer nu de getuigen [getuige] en [getuige] verklaren dat verdachte omstreeks 21.00 uur is vertrokken. De verklaring van getuige [getuige] sluit derhalve niet uit dat verdachte om 21.26 uur op de plaats van het ongeval is geweest.

Getuige [getuige] heeft aangegeven dat hij een donkergrijze Opel Astra of Opel Kadet heeft gezien. De auto van verdachte is een donkerblauwe Volkswagen Golf. De getuige heeft de auto vanaf de 5e etage gezien. Hij zou zich dus hebben kunnen vergissen. Belangrijker is dat hij heeft gezien dat deze auto de lichten doofde en dat de auto met hoge snelheid in de richting van de Meidoornstraat is gereden. Vervolgens heeft getuige [getuige] een donkerblauwe Volkswagen Golf met hoge snelheid uit de Meidoornstraat zien komen. Deze auto had geen lichten aan. Verder heeft deze getuige gezien dat de inzittenden in paniek waren en dat de paniek leek toe te nemen toen een politieauto met sirene en lichten aan naar de Meidoornstraat reed. Deze getuige heeft bovendien aangegeven dat de voorruit beslagen was en dat de rechterkant van de auto smerig was. Het is zeer goed mogelijk dat de getuige de kapotte ruit heeft aangezien voor een beslagen ruit.

De verbalisanten Wijers en Querido van de spoorwegpolitie hebben de bijrijder van verdachte herkend op het station van Breda. Zij hebben tevens de auto van verdachte gezien. Zij hebben niets vermeld over schade op de auto. Zij wisten zich ook niet het merk, het type, de kleur of het kenteken van de auto te herinneren. Klaarblijkelijk waren zij gefixeerd op de persoon die zij later herkenden als zijnde [verdachte] en niet op de auto van verdachte. Bovendien is niet uit te sluiten dat verbalisanten de auto van de achterkant hebben benaderd en zij de schade dus niet hebben kunnen zien.

Tenslotte blijkt uit de verklaring van [getuige] dat [getuige] naast hem op de bank heeft gezeten toen hij belde met verdachte. Het is dus mogelijk dat getuige [getuige] het gesprek heeft kunnen volgen. De verklaringen van getuige [getuige] en getuige [getuige] over de inhoud van het gesprek komen redelijk goed overeen. Beide getuigen hebben verklaard dat verdachte heeft gezegd een aanrijding gehad te hebben en beide geven aan dat verdachte snel moest ophangen. De rechtbank ziet geen reden om aan de geloofwaardigheid van getuige [getuige] te twijfelen.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie, gelet op de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd, dat verdachte met zijn auto het ongeval heeft veroorzaakt.

De raadsman heeft zich in de tweede plaats op het standpunt gesteld dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de doodslag, nu de voorwaardelijke opzet niet kan worden bewezen. Veeleer is sprake van overmoed. Verdachte heeft ten onrechte gedacht dat hij tot besturen in staat was.

Uit de hierboven genoemde bewijsmiddelen volgt dat verdachte en zijn bijrijder na het consumeren van een zeer grote hoeveelheid alcohol in de auto van verdachte naar Breda zijn gereden. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte weet welk effect alcohol heeft op zijn lichaam. Bovendien is hij reeds twee keer eerder veroordeeld voor rijden onder invloed van alcohol.

Kort voor het ongeval heeft verdachte twee waarschuwingen gekregen waaruit hij de conclusie had moeten trekken dat hij niet in staat moest worden geacht een auto te besturen. Verdachte kon niet in zijn auto komen zonder te vallen. Later is verdachte – de rechtbank doelt op het door getuige [getuige] beschreven incident – weggereden zonder dat hij zijn bijrijder behoorlijk in de gelegenheid heeft gesteld om plaats te kunnen nemen.

Uiteindelijk heeft verdachte op het kruispunt van de Tuinzigtlaan met de Acaciastraat en de Argusvlinder geen voorrang verleend aan een fietser die van rechts kwam. Hij is tegen haar aan gereden met onverminderde snelheid, getuige het gebrek aan remsporen op de plaats van het ongeval. De fietser, Elvira de Ridder, is hierdoor om het leven gekomen.

De verkeerssituatie ter plaatse en de staat van de bij het ongeval betrokken voertuigen geven geen aanleiding om de oorzaak buiten de schuld van verdachte te plaatsen.

Vervolgens heeft verdachte zijn lichten uit gedaan en de plaats van het ongeval verlaten met hoge snelheid. Uit telefonisch contact dat hij even later met een vriend heeft, blijkt dat hij weet dat hij iemand heeft aangereden.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte wist of had moeten beseffen dat hij niet in staat was te rijden. Hij wist immers wat het effect van alcohol was op zijn lichaam, hij was eerder veroordeeld wegens rijden onder invloed van alcohol en hij was die avond, voorafgaand aan het ongeval, reeds twee maal gewaarschuwd dat hij niet in staat was om te rijden.

Verdachte is, ondanks het feit dat hij wist dat hij niet tot besturen in staat was, in een auto gestapt. Een auto is een sterke verkeersdeelnemer. Door in zijn toestand een auto te besturen, heeft verdachte geaccepteerd dat hij andere, zeker zwakkere, verkeersdeelnemers in groot gevaar zou brengen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door aldus te handelen, zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij een zwakke verkeersdeelnemer, in casu een fietser, Elvira de Ridder, zou aanrijden en dat het slachtoffer zou overlijden. Hij heeft die kans blijkens de wijze van handelen ook welbewust aanvaard en op de koop toe genomen.

Uit het bovenstaande volgt dat verdachte schuldig is aan doodslag. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat ook het doorrijden na een ongeval terwijl hij weet dat een ander letsel en/ of schade heeft ondervonden bewezen kan worden verklaard.


9 De strafbaarheid van het bewezene. Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert de volgende misdrijven op:

1. Doodslag. 2. Overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat het onder 2 ten laste gelegde een voortgezette handeling is van het onder 1 ten laste gelegde. De rechtbank is echter van oordeel dat er geen sprake is van een voortgezette handeling, aangezien het twee volstrekt los van elkaar staande handelingen betreft.


10 De strafbaarheid van verdachte. Verdachte is strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard, nu niet is gebleken van enige omstandigheid die zijn strafbaarheid zou opheffen.


11 De straffen en maatregelen. 11.1 De algemene overwegingen omtrent de straf. Op grond van de aard van het bewezene alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de straffen behoren te worden opgelegd, die zij hierna zal bepalen.

11.2 De bijzondere overwegingen omtrent de straf. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte voor het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 10 jaren. Bovendien heeft hij verbeurdverklaring van de auto gevorderd.

Verdachte heeft zich in een auto begeven, terwijl hij wist dat hij niet tot goed besturen in staat was. De rechtbank acht het gedrag van verdachte, met name gelet op de absurd grote hoeveelheid alcohol, volstrekt onverantwoordelijk, waardoor hij de dood van een toevallige passant op de koop toe heeft genomen. Daar komt nog bij dat hij, toen hij merkte dat hij iemand geraakt had, niet is gestopt om hulp te bieden. Integendeel zelfs: hij heeft zijn lichten uitgedaan en is met hoge snelheid weggereden. Ook tijdens een telefoongesprek met [getuige] geeft verdachte geen blijk van spijt, maar geeft hij aan dat hij snel moet ophangen omdat hij wordt gezocht.

Door de wijze waarop Elvira is omgekomen, is de samenleving geschokt. Vooral de nabestaanden zijn ernstig getroffen door de dood van Elvira. De ouders van Elvira is overkomen wat voor iedere ouder een nachtmerrie is: een kind dat niet terug komt van school of werk omdat het door toedoen van een ander om het leven is gekomen. Voor haar ouders en vrienden is het bijzonder moeilijk een dergelijk zwaar verlies te dragen. Het verdriet is zo mogelijk echter nog zwaarder voor het gehandicapte zusje van Elvira, voor wie Elvira de steun en toeverlaat was. Uit de slachtofferverklaring van de ouders wordt duidelijk welke impact dit op hun leven heeft.

De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf onvoldoende recht doet aan de ernst van hetgeen ten laste van verdachte bewezen is verklaard. De eis van de officier van justitie past bij overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. In het onderhavige geval is sprake van doodslag. De rechtbank is derhalve van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren dient te worden opgelegd, naast de overige vorderingen van de officier van justitie.


12 De overwegingen omtrent het beslag. Het volgende in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp: Volkswagen golf, kenteken [kenteken] is vatbaar voor verbeurdverklaring.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is immers gebleken dat de bewezen verklaarde feiten zijn begaan met behulp van het voorwerp.

Voorts is gebleken dat het voorwerp aan verdachte toebehoort.


13 De overwegingen omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging. Verdachte is op 25 oktober 2004 veroordeeld door de meervoudige kamer van de rechtbank te Breda tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De raadsman van verdachte verzoekt om afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, omdat deze te veel afwijkt van het hier ten laste gelegde delict. Het betreft de overtreding van een voorschrift uit de Opiumwet.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. De algemene voorwaarde die verbonden is aan de voorwaardelijke straf is hiermee overtreden. De vordering tot tenuitvoerlegging van de officier van justitie ligt thans voor toewijzing gereed.


14 De toepasselijke wetsartikelen. De beslissing berust op de artikelen 10, 14g, 27, 33, 33a, 57, 91 en 287 van het wetboek van strafrecht en op de artikelen 7, 176, 178, 179a en 188 van de Wegenverkeerswet 1994.


15 De beslissing. RECHTDOENDE beslist de rechtbank als volgt.

Zij verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 7 is omschreven.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de onder 9 vermelde strafbare feiten.

Zij verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Zij veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren.

Zij bepaalt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht in mindering zal worden gebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf.

Zij ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 10 jaren.

Zij bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip waarop de ontzegging van de rijbevoegdheid ingaat, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van de hierboven bedoelde bijkomende straf in mindering zal worden gebracht.

Zij verklaart verbeurd het onder 12 omschreven voorwerp.

De rechtbank gelast dat de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, die bij vonnis d.d. 25 oktober 2005 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 02/004487-05, ten uitvoer zal worden gelegd.


Dit vonnis is gewezen door mr. Janssen, voorzitter, mr. Van Oijen en mr. Zuidema, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Kleijn Hesselink en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 15 december 2005, zijnde mr. Zuidema buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.