weebly reliable statistics
Uitspraak Jonathan Lima - Moordzaken
Uitspraak Jonathan Lima

Uit Moordzaken

Ga naar: navigatie, zoeken

Uitspraak Rechtbank Almelo

Sector strafrecht

Parketnummer: 08/700391-10 Datum vonnis: 28 oktober 2011

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[VERDACHTE], geboren op [GEBOORTEDATUM] in [GEBOORTEPLAATS], wonende in [WOONPLAATS], nu verblijvende in PI Almelo, locatie Karelskamp in Almelo.


1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 26 oktober 2010, 21 januari 2011, 12 april 2011, 8 juli 2011, 4 oktober 2011. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.H.J.M. Damen en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. J.J. van de Beek, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.


2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte met opzet of met schuld zodanig gewelddadig met zijn zoontje [NAAM] is omgegaan dat [NAAM] daardoor is overleden.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij in of omstreeks de periode van 19 mei 2010 tot en met 11 juli 2010, in de gemeente Haaksbergen en/of in de gemeente Enschede en/althans (elders) in Nederland, opzettelijk een kind, genaamd [NAAM], van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meermalen, althans eenmaal, (het hoofd van) die [NAAM] hevig en/of met kracht geschud, en/of tegen het hoofd geslagen en/of gestompt en/of (met) (het hoofd van) die [NAAM] tegen een vast voorwerp gestoten en/of (met kracht) tegen een vast voorwerp geduwd en/of (met kracht en/of snelheid) op/tegen een vast voorwerp laten vallen, althans dusdanig geweld op (het hoofd van) die [NAAM] uitgeoefend, tengevolge waarvan voornoemde [NAAM] is overleden;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 19 mei 2010 tot en met 11 juli 2010, in de gemeente Haaksbergen en/of in de gemeente Enschede en/althans (elders) in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een kind, genaamd [NAAM], van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, (het hoofd van) die [NAAM] hevig en/of met kracht geschud, en/of tegen het hoofd geslagen en/of gestompt en/of (met) (het hoofd van) die [NAAM] tegen een vast voorwerp gestoten en/of (met kracht) tegen een vast voorwerp geduwd en/of (met kracht en/of snelheid) op/tegen een vast voorwerp laten vallen, althans geweld op (het hoofd van) die [NAAM] uitgeoefend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 19 mei 2010 tot en met 11 juli 2010, in de gemeente Haaksbergen en/of in de gemeente Enschede en/althans (elders) in Nederland, aan verdachte's, althans een, kind genaamd [NAAM], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een of meer bloedingen en/of bloeduitstortingen in de hersenen en/of hypoxische encephalopathie en/althans (andere) hersenschade), heeft toegebracht, door opzettelijk meermalen, althans eenmaal(het hoofd van) die [NAAM] hevig en/of met kracht te schudden en/of tegen het hoofd te slaan en/of te stompen en/of (met) (het hoofd van) die [NAAM] tegen vast voorwerp te stoten en/of (met kracht) tegen een vast voorwerp te duwen en/of (met kracht en/of snelheid) op/tegen een vast voorwerp te laten vallen, althans enig geweld op (het hoofd van) die [NAAM] uit te oefenen, terwijl het feit de dood tengevolge heeft gehad;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, NOG MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 19 mei 2010 tot en met 11 juli 2010, in de gemeente Haaksbergen en/of in de gemeente Enschede en/althans (elders) in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan verdachte's, althans een, kind genaamd [NAAM], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal (het hoofd van) die [NAAM] meermalen, althans eenmaal, hevig en/of met kracht heeft geschud en/of tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt en/of (met) (het hoofd van) die [NAAM] tegen een vast voorwerp heeft gestoten en/of (met kracht) tegen een vast voorwerp heeft geduwd en/of (met kracht en/of snelheid) op/tegen een vast voorwerp heeft laten vallen, althans enig geweld op (het hoofd van) die [NAAM] heeft uitgeoefend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, MEEST SUBSIDIAIR, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 19 mei 2010 tot en met 11 juli 2010, in de gemeente Haaksbergen en/of in de gemeente Enschede en/althans (elders) in Nederland, heeft mishandeld een kind genaamd [NAAM], immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk meermalen, althans eenmaal, (het hoofd van) die [NAAM] hevig en/of met kracht geschud en/of tegen het hoofd geslagen en/of gestompt en/of (met) (het hoofd van) die [NAAM] tegen een vast voorwerp gestoten en/of (met kracht) tegen een vast voorwerp geduwd en/of (met kracht en/of snelheid) op/tegen een vast voorwerp laten vallen, althans enig geweld op (het hoofd van) die [NAAM] uitgeoefend, tengevolge waarvan deze is overleden;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, HET ALLERMEEST SUBSIDIAIR, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 19 mei 2010 tot en met 11 juli 2010, in de gemeente Haaksbergen en/of in de gemeente Enschede en/althans (elders) in Nederland, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, meermalen, althans eenmaal, (het hoofd van) die [NAAM] hevig en/of met kracht te schudden en/of tegen het hoofd te slaan en/of te stompen en/of (met) (het hoofd van) die [NAAM] tegen een vast voorwerp te stoten en/of (met kracht) tegen een vast voorwerp te duwen en/of (met kracht en/of snelheid) op/tegen een vast voorwerp te laten vallen, althans enig geweld op (het hoofd van) die [NAAM] uit te oefenen, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat die [NAAM] zodanig letsel, te weten een of meer bloedingen en/of bloeduitstortingen in de hersenen en/of hypoxische encephalopathie en/of (andere) hersenschade, heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is Overleden.


3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wegens doodslag wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van het voorarrest en met oplegging van de bijzondere voorwaarde dat hij de aanwijzingen van de reclassering nakomt, ook als dat inhoudt het wonen op een bepaalde plek en ook als dat inhoudt het meewerken aan een ambulante behandeling bij de Hanzeborg.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


5. De beoordeling van het bewijs

5.1 De vaststaande feiten

De onderstaande feiten volgen rechtstreeks uit de bewijsmiddelen en hebben bij de behandeling van de zaak niet ter discussie gestaan. Het vaststellen van deze feiten behoeft daarom geen andere motivering door de rechtbank dan een verwijzing naar de betreffende bewijsmiddelen.

Verdachte heeft op 9 juli 2010 in Haaksbergen, nadat hij zijn zoon [NAAM] om ongeveer 08.15 uur een (tweede) flesvoeding had gegeven, [NAAM] hevig en met kracht geschud. [NAAM] werd daarna grauw, kreeg paarse lipjes en reageerde niet meer. [NAAM] is op 11 juli 2010 in het ziekenhuis in Groningen overleden. Tijdens sectie op het lichaam van [NAAM] is letsel vastgesteld. Dit letsel bestond onder meer uit forse afwijkingen aan de schedel en schedelinhoud. De fontanel was wat opgezet ten gevolge van een verhoogde interne schedeldruk ten gevolge van bloeding in het hersenvocht. Bij het onderzoek van de oogbollen werden afwijkingen aangetroffen die waarschijnlijk zijn opgeleverd door trauma aan het hoofd/de hersenen. Op basis van de bevindingen bij medisch onderzoek kunnen aandoeningen en geboortetrauma uitgesloten worden geacht en resteert alleen een trauma na de geboorte als verklaring voor de afzonderlijke letsels, zoals bij [NAAM] bij leven en na overlijden zijn geconstateerd. Die letsels passen meer bij een acceleratie-deceleratietrauma dan bij een contacttrauma, hoewel een combinatie hiervan niet uitgesloten kan worden. Op basis van de bevindingen bij het postmortaal neuropathologisch en oogpathologisch onderzoek kan worden geconcludeerd dat de schade, die uiteindelijk geleid heeft tot het overlijden, ontstaan is in een tijdspanne kort voor opname in het [ZIEKENHUIS]) (uren, maximaal enkele dagen). Gezien de ernst van de letsels in het hoofd is het uitgesloten dat [NAAM] na het ontstaan van de letsels, die tot het overlijden aanleiding hebben gegeven, nog normaal heeft kunnen functioneren. Dit betekent dat de schade die tot het overlijden aanleiding heeft gegeven met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is ontstaan na het geven van de tweede fles op 9 juli 2010 ’s ochtends.

De rechtbank leidt uit voornoemde vaststaande feiten af dat er causaal verband bestaat tussen de handeling van verdachte, te weten het schudden van [NAAM] op 9 juli 2010 en het overlijden van [NAAM] op 11 juli 2010.


5.2 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat verdachte [NAAM] op 9 juli 2010 eenmaal en langdurig, heeft geschud. De overige in het (primair) tenlastegelegde vermelde handelingen acht de officier van justitie niet wettig en overtuigend bewezen.

De officier van justitie neemt de conclusies van de deskundige R. Bilo over en stelt dat het schudden van [NAAM] bloedingen in de hersenen en bloedingen in de oogzenuw heeft veroorzaakt. Aan dit letsel, typerend voor het Shaken Baby Syndrome, is [NAAM] overleden. Voorts voert de officier aan dat verdachte wellicht niet willens en wetens [NAAM] van het leven heeft beroofd maar dat hij zich wel heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [NAAM] door zijn handelen zou komen te overlijden en deze kans ook heeft aanvaard.

De raadsman heeft met betrekking tot de bewezenverklaring geen standpunt ingenomen.


5.3 De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Opzet De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat een baby van drie maanden oud kwetsbaar is en dat in de omgang met een baby uiterste behoedzaamheid geboden is. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wist dat er voorzichtig moet worden omgegaan met een baby en vooral met de nek en het hoofdje van een baby. Ook heeft verdachte verklaard dat hij wist dat er niet hard met een baby van voor naar achteren mag worden geschud. Door [NAAM] met kracht te schudden, heeft verdachte op een voor iedereen kenbare wijze, in strijd met deze voorzichtigheid gehandeld. De rechtbank is van oordeel dat de kans dat een drie maanden oude baby komt te overlijden aan de gevolgen van het hevig door elkaar schudden, zoals hier met [NAAM] is gebeurd, naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Verdachte heeft [NAAM] met kracht enige tijd heen en weer geschud. Deze gedraging ten opzichte van een zeer kwetsbare baby, is naar het oordeel van de rechtbank zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte hiermee de aanmerkelijke kans op het overlijden van [NAAM]s ook heeft aanvaard.

Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [NAAM]. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk [NAAM] van het leven heeft beroofd door hem hevig en met kracht te schudden.

Periode De rechtbank is, evenals de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet de gehele tenlastegelegde periode kan worden bewezen, doch dat wel wettig en overtuigend is bewezen dat de aan verdachte verweten handeling op 9 juli 2010 heeft plaatsgevonden.


5.4 De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 9 juli 2010 in de gemeente Haaksbergen opzettelijk een kind, genaamd [NAAM], van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [NAAM] hevig en met kracht geschud, tengevolge waarvan voornoemde [NAAM] is overleden.

De rechtbank heeft de eventueel in de bewezenverklaring voorkomende schrijffouten verbeterd. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 287 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

Primair het misdrijf: doodslag.


7. De strafbaarheid van de verdachte

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat, zoals reeds door deskundigen is vastgesteld, verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte niet toerekeningsvatbaar is nu de gebrekkige ontwikkeling van zijn geestesvermogens en zijn jeugdtrauma aan toerekening in de weg staan. De raadsman stelt voorts dat het gedrag van verdachte verontschuldigbaar moet worden geacht en dat bestraffing misplaatst is, omdat het voor strafbaarheid vereiste niveau van verwijtbaarheid niet wordt gehaald. De raadsman stelt dat derhalve sprake is van afwezigheid van alle strafrechtelijk relevante schuld.

De conclusie van de rechtbank Een tweetal deskundigen, P.K. Kristensen, psycholoog, en J.W. Hummelen, psychiater, heeft over verdachte gerapporteerd. De deskundigen stellen vast dat bij verdachte op basis van de aanwezige posttraumatische stress-stoornis een patroon van opkomen van agressieve gevoelens bestaat, wanneer hij wordt overvraagd. Dat patroon wordt versterkt door de zwakbegaafdheid waardoor hij situaties moeilijk kan overzien. Beide deskundigen concluderen dat verdachte op het moment van het plegen van de feiten, vanwege zijn ziekelijke stoornis in de vorm van een posttraumatische stress-stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens in de vorm van zwakbegaafdheid, verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

De rechtbank neemt de conclusies over de verminderde toerekeningsvatbaarheid uit beide voornoemde deskundigenrapporten over en verwerpt op grond daarvan standpunten van de raadsman over toerekeningsvatbaarheid en strafrechtelijk relevante schuld.

Ook heeft de rechtbank kennis genomen van het resultaat van het door A. Ugarcic van Reclassering Nederland over verdachte verrichte milieu-onderzoek en het door S. Bouwmeester van Reclassering Nederland opgemaakte reclasseringsadvies.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.


8. De op te leggen straf of maatregel

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging Het standpunt van de officier van justitie met betrekking tot de strafmaat is reeds uiteengezet onder punt 3.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat aan verdachte een gevangenisstraf, waarvan de duur gelijk is aan het voorarrest, moet worden opgelegd.

De overwegingen van de rechtbank Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag. Verdachte heeft zijn zoontje [NAAM] van drie maanden oud op een zodanige manier geschud dat [NAAM] als gevolg hiervan ernstig hersenletsel heeft opgelopen, in comateuze toestand is geraakt en twee en een halve dag later is overleden. Verdachte heeft door zijn onbeheerste handelen [NAAM] het meest elementaire recht, te weten het recht op leven, ontnomen en intens verdriet veroorzaakt bij de moeder en naaste familie van [NAAM]. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zijn zeer jonge en weerloze kind, dat voor zijn welzijn volledig van verdachte afhankelijk was, niet de geborgenheid en veiligheid heeft geboden die [NAAM] nodig had.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals deze onder meer tot uitdrukking komen in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de ernst van het onderhavige feit met zich dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan vrijheidsbenemende straf. Bij de strafbepaling weegt de rechtbank tevens mee dat verdachte geen relevante justitiële documentatie heeft. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat ook verdachte is geconfronteerd met de dood van zijn zoontje en dat verdachte dit verlies en zijn aandeel daarin, zijn verdere leven met zich zal moeten meedragen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, als ook in de hiervoor onder punt 7 uiteengezette bijzondere omstandigheden betreffende de persoon van verdachte, acht de rechtbank een gevangenisstraf op te leggen van 30 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk passend en geboden. Een deels voorwaardelijke vrijheidstraf dient mede om verdachte van herhaling van de strafbare feiten te weerhouden en om het opleggen van noodzakelijke geachte bijzondere voorwaarden mogelijk te maken.

Op grond van hetgeen in de hierboven genoemde rapporten over verdachte naar voren is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat aan het voorwaardelijk strafdeel een aantal bijzondere voorwaarden moet worden verbonden. Om verdachte de noodzakelijke hulp en steun te bieden zal de rechtbank als bijzondere voorwaarde bepalen dat hij zich moet houden aan de door de reclassering gestelde voorschriften en aanwijzingen. De rechtbank onderschrijft het belang, zoals uiteengezet in voornoemd reclasseringsadvies, dat verdachte, gezien de directe samenhang van zijn agressieregulatieproblematiek en zwakke persoonlijkheidsstructuur met zijn strafbare gedrag, een ambulante behandeling volgt binnen De Hanzeborg in Zutphen. Daarnaast acht de rechtbank het evenals de reclassering en voornoemde deskundigen van belang dat verdachte begeleiding in de thuissituatie krijgt en dus vanaf zijn invrijheidstelling in een woning van Stichting Aveleijn zal verblijven en zich zal houden aan de woonvoorwaarden en huisregels die Stichting Aveleijn in overleg met de reclassering zal opstellen.


9. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27 Sr.


10. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring - verklaart bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven; - verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar; - verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert: het misdrijf: doodslag; - verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren; - bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast: - omdat de veroordeelde verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit; - of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden, dan wel - omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd; - stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, - ook als dat inhoudt dat de veroordeelde zich voor zijn agressieregulatieproblematiek moet laten behandelen bij de kliniek “De Hanzeborg” te Zutphen, voor zover en voor zolang de reclassering dat noodzakelijk acht; - ook als dat inhoudt dat verdachte vanaf zijn invrijheidstelling in een woning van Stichting Aveleijn moet verblijven, alwaar verdachte zich moet houden aan de woonvoorwaarden en huisregels die Stichting Aveleijn in overleg met de reclassering zal opstellen, voor zover en voor zolang de reclassering dat noodzakelijk acht; - draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden; - bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.


Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Stoové, voorzitter, mr. E. Venekatte en mr. N.R. Visser, rechters, in tegenwoordigheid van D.A.C. Brockötter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2011.