weebly reliable statistics
Uitspraak Luciano Lansdorf (Bandi3t) - Moordzaken
Uitspraak Luciano Lansdorf (Bandi3t)

Uit Moordzaken

Ga naar: navigatie, zoeken

Uitspraak RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/630316-09 Datum uitspraak: 29 april 2011 Tegenspraak


Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats], ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie Huis van Bewaring ‘De Schie’ te Rotterdam, raadsman mr. K. Canatan, advocaat te Amsterdam.


ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 11, 12, 14 en 18 april 2011.


TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding van 9 februari 2010, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vorderingen van de officier van justitie is gewijzigd en de onder hetzelfde parketnummer uitgebrachte dagvaarding van 22 april 2010. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.


EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Baars heeft gerekwireerd tot: - vrijspraak van het onder 1 impliciet primair en 5 ten laste gelegde; - bewezenverklaring van het onder 1 impliciet subsidiair, 2 primair, 3 primair, 4, 6 primair, 7 en 8 ten laste gelegde; - veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 jaren en 29 weken, met aftrek van voorarrest.


ONTVANKELIJKHEID OFFICIER VAN JUSTITIE IN DE VERVOLGING MET BETREKKING TOT DE FEITEN 5 EN 6 (ZAAK NOORDERPLAS)

De raadsman heeft bepleit dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging voor wat betreft de zaak Noorderplas. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er bij het verbaliseren van de verhoren van de aangever/getuige [slachtoffer 2] ernstig en onherstelbaar inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijk proces.

Volgens de raadsman zijn, kort weergegeven, met betrekking tot de verklaringen van [slachtoffer 2] de volgende vormfouten gemaakt:

a. [slachtoffer 2] is op 14 en 15 december 2009 gehoord in een onderzoek met de naam [codenaam]. Zijn verklaringen zijn toen in concept opgenomen. Op 16 en 17 december 2009 is [slachtoffer 2] opnieuw gehoord. Daarbij vormden de eerder genoemde conceptverklaringen het uitgangspunt. In de processen-verbaal van 16 en 17 december 2009 is geen melding gemaakt van de eerdere conceptverklaringen.

b. De resultaten van de verhoren in december 2009 zijn achtergehouden door de officier van justitie en niet aan het dossier in de onderhavige zaak (Palmhove) toegevoegd.

c. Vanaf 15 januari 2010 is [slachtoffer 2] als getuige gehoord in de onderhavige zaak. Bij het opstellen van de processen-verbaal van die verhoren zijn onderdelen van de eerdere verhoren door middel van “knippen en plakken” overgenomen. Ten onrechte wordt de indruk gewekt dat [slachtoffer 2] chronologisch en consistent heeft verklaard.

Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

Ad a. Uit het proces-verbaal van [verbalisant 1] en de daarbij behorende bijlagen (p. 936 e.v. zaak Noorderplas) blijkt dat de gang van zaken als volgt is geweest, voor zover hier van belang. Op 14, 15 en 16 december 2009 is [slachtoffer 2] in het zogeheten onderzoek [codenaam] gehoord door opsporingsambtenaren van de Bovenregionale Recherche Midden Nederland. Van die verhoren zijn processen-verbaal opgemaakt. De inhoud van die processen-verbaal is in concept-vorm ter kennis gebracht van het opsporingsteam in de zaak Palmhove. Op 16 en 17 december 2009 is [slachtoffer 2] vervolgens gehoord door opsporingsambtenaren in de zaak Palmhove. Van deze verhoren is steeds op de dag zelf proces-verbaal opgemaakt, dat door de verbalisanten en [slachtoffer 2] is ondertekend. In de aanhef van die processen-verbaal wordt verwezen naar een eerdere verklaring van [slachtoffer 2] tijdens het onderzoek van de Bovenregionale Recherche Midden Nederland.

Niet valt in te zien dat hier sprake is van een handelwijze die in strijd met de wet of anderszins ontoelaatbaar is. De enkele omstandigheid dat aan de hand van de stukken van het dossier niet kan worden vastgesteld of de genoemde processen-verbaal van de verhoren op 14, 15 en 16 december 2009 in het onderzoek [codenaam] zijn ondertekend, zoals voorgeschreven in artikel 153 van het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv), maakt dit niet anders.

Ad b. Als uitgangspunt geldt dat het de officier van justitie is die bepaalt welke stukken aan het dossier worden toegevoegd. In dit geval heeft de officier van justitie aanleiding gezien de verklaringen die [slachtoffer 2] in december 2009 had afgelegd niet, althans niet direct, aan het dossier van de zaak Palmhove toe te voegen met het oog op de opsporingsbelangen in de zaak [codenaam]. Van een ontoelaatbare achterhouding van processtukken is hier geen sprake. Hierover zou wellicht anders geoordeeld moeten worden indien de verklaringen die [slachtoffer 2] in december 2009 had afgelegd ontlastende informatie over de in de onderhavige zaak aan de verdachte ten laste gelegde feiten hadden bevat. Die omstandigheid doet zich echter niet voor.

Ad c. Van de door de raadsman aangevochten handelwijze bij het opmaken van een proces-verbaal (het kopiëren van onderdelen uit een ander proces-verbaal) kan niet in zijn algemeenheid worden gezegd dat deze ontoelaatbaar is. Wel dient daarbij uiteraard zorgvuldig te werk te worden gegaan. Er zijn geen aanwijzingen dat in dit geval het “knippen en plakken” bij het opmaken van de processen-verbaal van de verhoren van [slachtoffer 2] gebeurde met de bedoeling de belangen van de verdachte te schaden. Over de wijze van totstandkoming van de verklaringen van [slachtoffer 2] die ook door de verdediging is ondervraagd - is uiteindelijk volledige openheid van zaken verkregen. Van enige feitelijke benadeling van de verdachte is niet gebleken.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen moet worden geconcludeerd dat van ernstige vormfouten zoals door de raadsman gesteld geen sprake is geweest. Dit betekent dat het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging moet worden verworpen.

Evenmin is er aanleiding de verklaringen van [slachtoffer 2] van het bewijs uit te sluiten, zoals subsidiair is bepleit.


ONTVANKELIJKHEID OFFICIER VAN JUSTITIE IN DE VERVOLGING MET BETREKKING TOT DE FEITEN 7 EN 8 (ZAAK AMERSFOORT)

De raadsman heeft bepleit dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging voor wat betreft de feiten 7 en 8 (zaak Amersfoort). De hieronder weergegeven vormverzuimen ex artikel 359a Sv maken, aldus de raadsman, dat in samenhang bezien en mede in het licht van de vervolging van de verdachte in de andere zaken, de officier van justitie bij een redelijke en billijke belangenafweging in redelijkheid niet tot vervolging had mogen overgaan.

De raadsman baseert het verweer op het volgende:

- rechtsbijstand: Schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nu hij als voorkeursadvocaat niet eerder dan op 14 december 2009 aan het eind van de middag is geïnformeerd over de aanhouding van de verdachte terwijl de verdachte vanaf de aanhouding recht heeft op rechtsbijstand;

- onmenselijke behandeling: Schending van artikel 3 EVRM nu de verdachte de gehele nacht van 14 december 2009 in strijd met artikel 22 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar (de Ambtsinstructie) geboeid met zijn armen op de rug in de cel heeft gelegen;

- mishandeling: Schending van artikel 3 EVRM nu de verdachte van de politieambtenaar [verbalisant 8] twee klappen kreeg, terwijl van een agent verwacht mag worden dat hij kalm blijft ook indien de verdachte zou hebben geprobeerd hem een kopstoot te geven;

- bevel identificatie: In strijd met artikel 56 Sv vond een aldus onrechtmatig identiteitsonderzoek naar tatoeages op het lichaam van de verdachte plaats, nu het bevel daartoe niet is gegeven door een officier van justitie of een hulpofficier voor wie de verdachte was geleid of die zelf de verdachte had aangehouden;

- inzet schild: In strijd met artikel 5 van de Ambtsinstructie is het schild ingezet door [verbalisant 2] zonder last van een meerdere die daar de leiding had ([verbalisant 3]);

- pepperspray: In strijd met artikel 12a van de Ambtsinstructie is pepperspray gebruikt door [verbalisant 4].

Hieromtrent wordt het volgende overwogen. - rechtsbijstand: De verdachte is op 14 december 2009 omstreeks 01.30 uur aangehouden, vervolgens naar een bureau van politie te Amersfoort overgebracht waar hij om 02.30 uur werd geleid voor een hulpofficier van justitie die bepaalde dat hij voor nader verhoor en onderzoek kon worden opgehouden. Op 14 december 2009 om 11.35 uur is de piketcentrale advocatuur daarvan in kennis gesteld. Om 11.49 uur heeft mr. Bosch als piketadvocaat teruggebeld. Na overleg met de piketdienst is door of namens de gekozen raadsman van de verdachte die dag en ook tijdens zijn verhoor aan de verdachte rechtsbijstand verleend. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het recht van een gedetineerde verdachte op rechtsbijstand als onderdeel van de fundamentele voorwaarden voor een eerlijk proces;

- onmenselijke behandeling: De verdachte is op 14 december 2009 omstreeks 02.30 uur ingesloten terwijl hij was geboeid met de handen op de rug. De rechtbank leidt uit het dossier af dat deze situatie kennelijk was beëindigd bij nader onderzoek naar de identiteit van de verdachte om 09.45 uur die dag. Wanneer de situatie is beëindigd valt niet nauwkeurig vast te stellen; niet kan worden uitgesloten dat deze situatie dus ruim zeven uur duurde. Het aanleggen van handboeien geschiedt krachtens artikel 22 van de Ambtsinstructie ten behoeve van het vervoer en deze maatregel kan slechts worden getroffen indien de feiten of omstandigheden dit redelijkerwijs vereisen met het oog op – onder meer – gevaar voor de veiligheid van de ambtenaar. De rechtbank is van oordeel dat de gang van zaken bij de aanhouding en insluiting, waarbij de verdachte zich excessief verzette, twee ambtenaren gewond raakten en de verdachte ook naar eigen zeggen buiten zinnen raakte, het aanleggen van handboeien en het geboeid houden van de verdachte ook enige tijd na insluiting rechtvaardigen. Dat de verdachte naar moet worden aangenomen - gedurende de gehele nacht geboeid bleef is in strijd met deze instructie. Door de voorgeschiedenis en de – in zekere zin – beperkte overschrijding van de termijn waarbinnen het gebruik van handboeien jegens de verdachte wel was toegestaan, kan deze situatie evenwel niet worden geduid als een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM.

- mishandeling: De verdachte is bij zijn insluiting door een politieambtenaar tweemaal geslagen. De toepassing van dit geweld was in de gegeven omstandigheden – hoewel na het gedrag van de verdachte niet onbegrijpelijk – gepast noch geboden. - bevel identificatie: De raadsman baseert het verweer - ten onrechte - op de vereisten die in artikel 56 Sv zijn gesteld aan een onderzoek aan het lichaam van een verdachte in het belang van het onderzoek ter zake het feit waarvan hij wordt verdacht. In de onderhavige zaak diende de identiteit van de verdachte te worden vastgesteld. Tegen een voor onderzoek opgehouden verdachte kunnen krachtens artikel 61a, eerste lid Sv maatregelen ter identificatie worden bevolen. Het onderzoek naar tatoeages op het lichaam van een verdachte is vergelijkbaar met het nemen van lichaamsmaten, zoals bedoeld in de – niet limitatieve – opsomming van maatregelen in artikel 61a, eerste lid Sv. Ook voor de uitoefening van deze bevoegdheid is een bevel van een officier van justitie of van de hulpofficier voor wie de verdachte is geleid of die zelf de verdachte heeft aangehouden vereist (artikel 62a, tweede lid, Sv).Het bevel tot een onderzoek aan het lichaam ter identificatie van de verdachte is ten onrechte niet gegeven door een hier bedoelde (hulp)officier van justitie. - inzet van het schild: Op 14 december 2009 omstreeks 10.00 uur is [verbalisant 3] als chef van dienst met de collega’s [verbalisant 4], [verbalisant 5] en [verbalisant 2] naar de cel van de verdachte gegaan voor een identiteitsonderzoek, uit te voeren door het lichaam van de verdachte te onderzoeken op tatoeages. [verbalisant 2] had daartoe een zogenoemd ME-schild bij zich. Uit zijn verklaring bij de rechter-commissaris blijkt dat [verbalisant 3] de mogelijkheid van toepassing van geweld besproken had met zijn collega’s. Dat [verbalisant 2] een ME-schild heeft meegenomen kan niet onopgemerkt zijn gebleven, gelet op de grootte van zo’n schild. Hieruit leidt de rechtbank af dat [verbalisant 3] heeft ingestemd met de inzet van dit middel en hieraan doet niet af dat [verbalisant 2] kennelijk zelf uiteindelijk het moment van inzet van het schild heeft bepaald. Ook achteraf gezien kan niet worden geoordeeld dat de inzet van het schild onnodig of disproportioneel is geweest. - pepperspray: In het midden gelaten de vraag of het gebruik van de pepperspray al dan niet in strijd met de Ambtsinstructie is, kan niet gezegd worden dat in dit geval het gebruik onrechtmatig was, aangezien [verbalisant 4] zich daartoe genoodzaakt zag als gevolg van gewelddadig gedrag van de verdachte en het gebruik niet als disproportioneel kan worden aangemerkt.

Hoewel onderdelen van het door de raadsman aangevoerde verweer slagen, is de rechtbank van oordeel dat het geheel aan feiten en omstandigheden niet de conclusie rechtvaardigt dat de officier van justitie bij een redelijke en billijke belangenafweging – ook bezien in het licht van de overige feiten op de tenlastelegging – in redelijkheid niet tot de beslissing heeft kunnen komen de verdachte (ook) ter zake de feiten 7 en 8 te vervolgen. Het beroep op niet-ontvankelijkheid wordt derhalve verworpen.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Vrijspraak feiten 1 impliciet primair en 5.

De onder 1 impliciet primair ten laste gelegde moord en de onder 5 ten laste gelegde poging tot moord zijn niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Nu zowel de officier van justitie als de raadsman hiertoe hebben geconcludeerd en de rechtbank geen redenen ziet zich hierover ambtshalve uit te laten, wordt dit oordeel niet nader gemotiveerd.

Vrijspraak feit 2

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 2, de zaak Beverwaard. De verdediging heeft vrijspraak bepleit omdat de getuige [aangever 1], die de verdachte en zijn medeverdachten zegt te hebben herkend, onbetrouwbaar is en zijn verklaringen dus onbruikbaar zijn. Hieromtrent wordt het volgende overwogen. [aangever 1] en zijn passagier, getuige [getuige 2], hebben het volgende verklaard.

In zijn aangifte van 5 augustus 2009 spreekt [aangever 1] van vier mannen in een auto, zonder dat hij verklaart wie dat zijn. Ruim twee weken later, op 20 augustus 2009, verklaart [aangever 1] dat hij bij zijn eerdere aangifte al wist “wie een bepaalde persoon was”, maar dat hij eerst zelf onderzoek heeft gedaan naar een van de daders en dat hij veel hoort op straat. ‘[voornaam]’ zou een van de daders zijn. Zijn broer zou hebben gereden, maar of [voornaam] zelf in de auto zat, weet [aangever 1] niet zeker. Wederom twee weken later, op 3 september 2009, heeft [aangever 1] het over ‘[voornaam]’ en zegt hij gezien te hebben dat deze in de auto zat, maar niet heeft geschoten. Op 17 december 2009 antwoordt [aangever 1] op de vraag van wie hij op straat gehoord heeft dat ‘[voornaam]’ betrokken was bij de schietpartij: “dat heb ik gehoord van een vriend die mij in contact heeft gebracht met [voornaam].”

[getuige 2] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij niet zag wie er in de auto zaten. Er was geen licht aan in de auto van de schutter, het was donker en volgens [getuige 2] waren de ramen van de auto geblindeerd. Tijdens het wegrennen heeft [aangever 1] tegen [getuige 2] gezegd dat hij niet wist wie de daders waren.

Gelet op deze verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, is de verklaring van [aangever 1], dat hij ten tijde van de schietpartij drie van de inzittenden van de auto van de schutter heeft herkend niet geloofwaardig. Zonder die verklaring kan de betrokkenheid van de verdachte bij feit 2 niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Vrijspraak feit 6 primair

Het onder 6 primair ten laste gelegde is, anders dan door de officier van justitie is gevorderd, niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De enige getuige die de verklaring van de aangever [slachtoffer 2], dat op hem is geschoten, heeft bevestigd, is [getuige 1]. Zij heeft op 8 februari 2010 bij de politie uitgebreid verklaard over de avond waarop zij samen met [slachtoffer 2], de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] in de auto zat. Zij heeft toen verklaard dat de verdachte [slachtoffer 2] met een vuurwapen heeft bedreigd. Op de vraag of de verdachte heeft geschoten antwoordt zij dat ze dat niet gezien of gehoord heeft. Bij de rechter-commissaris verklaart zij dat er ook daadwerkelijk geschoten is en wel door [medeverdachte 1]. Reeds om deze opmerkelijke verschillen tussen haar verklaringen, en nog los van de vraag of [getuige 1]’s verklaring bij de rechter-commissaris op formele gronden bruikbaar is voor het bewijs nu het verzoek tot wraking van deze rechter-commissaris is toegewezen, draagt haar verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris niet bij aan het bewijs van het feit dat er geschoten is. Verder is van belang dat er ter plaatse geen hulzen zijn aangetroffen.


BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair, 3 primair, 4, 6 subsidiair, 7 en 8 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1. (zaak Palmhove)

hij op 22 oktober 2009 te Rotterdam opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen een kogel in/door de borstkas, van die [slachtoffer 1] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;


3. primair

(Zaak Almere)

hij in de periode van 30 juni 2009 tot en met 09 juli 2009 te Almere en/of Utrecht en/of Kerkrade en/of Zeewolde tezamen en in vereniging met een ander of anderen, meermalen, opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer 3], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen

- meermalen die [slachtoffer 3] opgezocht bij/in zijn woning in Utrecht en - meermalen (vervolgens) (daarbij) die [slachtoffer 3] gedwongen om met hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) mee te gaan en - meermalen die [slachtoffer 3] (met kracht) beetgepakt/vastgepakt en in een auto geduwd en - meermalen (vervolgens) die [slachtoffer 3] met een auto vervoerd en/of - meermalen die [slachtoffer 3] ondergebracht en vastgehouden in een woning te Almere en - eenmaal aan die [slachtoffer 3] een vuurwapen, getoond en(daarbij) aan die [slachtoffer 3] de woorden toegevoegd: "Doe rustig, doe geen gekke dingen, want anders komen er problemen. En deze is voor problemen" en - meermalen die [slachtoffer 3] onder bewaking van een of meer personen in voornoemde woning achtergelaten, waarbij die [slachtoffer 3] deze woning niet mocht verlaten en - eenmaal (daarbij) die [slachtoffer 3] vastgepakt/beetgepakt toen die de woning wilde verlaten en - eenmaal (daarbij) de deuren van deze woning afgesloten en/of laten afsluiten en - meermalen die [slachtoffer 3] in een auto naar een bank in Nederland vervoerd/gebracht;


4. (Zaak Nelson)

hij op 02 september 2009 te Arnhem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk, personen genaamd [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

met een vuurwapen, kogels op/in de richting van een auto waarin die [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] zich bevonden, heeft afgeschoten en/of afgevuurd,

zijnde de uitvoering van die voorgenomen misdrijven niet voltooid;


6. subsidiair

(zaak Noorderplas)

hij in de periode van 08 september 2009 tot en met 09 september 2009 te Almere, tezamen en in vereniging met een ander [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte enof zijn mededader opzettelijk dreigend die [slachtoffer 2] een vuurwapen getoond en/of voorgehouden


7. (Zaak Amersfoort)

hij op 14 december 2009 te Amersfoort toen de aldaar dienstdoende politieambtenaren [verbalisant 6], brigadier van politie Utrecht en [verbalisant 7], hoofdagent van politie Utrecht, verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 184 Wetboek van Strafrecht, op heterdaad ontdekt, hadden aangehouden en vastgegrepen, teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten een politiebureau, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig

-(met kracht) een autoportier open te duwen/drukken, terwijl voornoemde [verbalisant 6] deze trachtte dicht te drukken/houden en -(met kracht) te rukken en/of trekken in een richting tegengesteld aan die waarin voornoemde verbalisanten, verdachte, trachtten te geleiden en -(met kracht) te schoppen en slaan naar voornoemde verbalisanten en -(met kracht) met zijn, verdachtes, lichaam en hoofd heen en weer te bewegen,

tengevolge waarvan de opsporingsambtenaren [verbalisant 6] enig lichamelijk letsel (schaafwonden aan een hand)

en [verbalisant 7] enig lichamelijk letsel (schaafwonden aan zijn knieën en een kras op het hoofd en beurse plek aan het jukbeen) bekwamen.


8. (Zaak Amersfoort)

hij op 14 december 2009 te Amersfoort, opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten [verbalisant 4], hoofdagent van politie Utrecht, gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, met kracht in/op/tegen het gezicht heeft gestompt, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.


BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, zoals vermeld op de aangehechte bijlage II, die deel uitmaakt van dit vonnis.


NADERE BEWIJSOVERWEGINGEN

Fotoconfrontaties.

De raadsman heeft als algemeen verweer aangevoerd, dat bij het onderzoek stelselmatig de regels van het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek niet of niet volledig zijn nageleefd bij de uitvoering van fotoconfrontaties. In de gevallen waarin zich dit heeft voorgedaan zouden de resultaten van de fotoconfrontatie moeten worden uitgesloten van het bewijs.

Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

Vastgesteld moet worden dat de raadsman dit verweer uitsluitend geconcretiseerd heeft met betrekking tot een foslo-confrontatie op 17 december 2009 van de verdachte met de aangever/getuige [aangever 1]. De raadsman heeft aangevoerd, dat hij niet tevoren is geïnformeerd over de voorgenomen foslo-confrontatie en daarover geen opmerkingen heeft kunnen maken.

De hiervoor genoemde confrontatie van 17 december 2009 heeft, anders dan in de pleitnota wordt gesuggereerd, slechts betrekking op feit 2 op de tenlastelegging (zaak Beverwaard). Nu de verdachte reeds op andere gronden van feit 2 wordt vrijgesproken behoeft het hier opgeworpen bewijsverweer geen nadere bespreking.

Voor het overige geldt dat niet concreet gesteld of gebleken is dat er fotoconfrontaties hebben plaatsgevonden die niet voldeden aan de daaraan te stellen eisen en om die reden van het bewijs moeten worden uitgesloten. Bewijsuitsluiting verklaringen [getuige 1], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5]

De raadsman heeft aangevoerd dat de officier van justitie het strafdossier in de zaak ‘Nelson’ aan de raadsman van de benadeelde partijen [slachtoffer 4] heeft verstrekt, voorafgaand aan de geplande verhoren door de rechter-commissaris van [slachtoffer 4], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6]. Gebleken is dat deze getuigen de beschikking hebben gehad over (delen van) het dossier. De getuigen zijn mogelijk te veel gevoed met informatie afkomstig uit dit strafdossier en konden niet meer onderscheiden wat zij uit eigen herinnering wisten en wat zij in het dossier hadden gelezen. De verdediging kan hierom de betrouwbaarheid van die getuigen niet meer toetsen.

Hiermee is doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling (als bedoeld in artikel 6 EVRM) tekort gedaan, zodat de verklaringen van het bewijs dienen te worden uitgesloten, aldus de raadsman.

Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

Uitgangspunt bij het verstrekken van inzage in of een afschrift van een strafdossier aan (raadslieden van) een benadeelde partij dient te zijn hetgeen staat vermeld in artikel 51d, eerste lid Sv, zoals dat gold ten tijde van het verstrekken van het afschrift aan de raadsman van de benadeelde partij [slachtoffer 4]. Uit die wettekst blijkt dat de processtukken in principe verstrekt worden, tenzij zich een van de uitzonderingen voordoet als beschreven in artikel 51d, tweede lid Sv (oud).

Het doel van deze bepaling is dat misbruik van de processtukken wordt voorkomen. De wetsgeschiedenis spreekt voornamelijk over de privacybelangen van de verdachten, niet over mogelijke beïnvloeding van getuigen (Aanwijzing Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, Stcrt. 2008,19). De stelling van de raadsman dat de officier van justitie de benadeelde partij alle stukken moet onthouden tot in elk geval na de getuigenverhoren, berust dan ook op een onjuiste lezing van artikel 51d, tweede lid Sv. De beoordeling van de in dat lid genoemde uitzonderingen lag - op het moment van verstrekking - bij de officier van justitie. Die heeft ter terechtzitting aangegeven geen aanleiding te hebben gezien om een van die uitzonderingsbepalingen in te roepen.

De rechtbank ziet geen aanwijzingen die nopen tot het oordeel dat de officier van justitie bij die afweging met ‘doelbewuste of grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte’ heeft gehandeld.

De verstrekking van het dossier levert dan ook geen vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a Sv.

Bruikbaarheid verklaringen [getuige 1], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5]

Getuige [getuige 1] a. De raadsman heeft bepleit dat de verklaring van de getuige [getuige 1], zoals zij deze ten overstaan van de rechter-commissaris heeft afgelegd, niet voor het bewijs mag worden gebruikt. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat deze verklaring in strijd met het bepaalde in artikel 6 EVRM is afgenomen door een - door de wrakingskamer geoordeelde - partijdige rechter-commissaris, zodat het gebruik hiervan in strijd is met het recht op een eerlijk proces. Voorts is aangevoerd dat de getuige in strijd met het bepaalde in artikel 187, tweede lid Sv buiten aanwezigheid van de verdediging is gehoord, hetgeen een vormverzuim oplevert als bedoeld in artikel 359a Sv.

Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

De verklaring van de getuige [getuige 1], zoals zij deze ten overstaan van de rechter-commissaris heeft afgelegd, wordt niet gebruikt voor de bewezenverklaring, zodat dit verweer geen bespreking behoeft.

b. De raadsman heeft tevens bepleit dat de verklaringen van de getuige [getuige 1], zoals zij deze bij de politie heeft afgelegd, niet voor het bewijs mogen worden gebruikt. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de verdediging geen gelegenheid heeft gehad de verklaringen van deze belastende getuige te kunnen toetsen, aangezien zij haar niet heeft kunnen ondervragen. Voorts vinden deze verklaringen geen steun in andere bewijsmiddelen, aldus de raadsman.

Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

Bij de beoordeling van dit verweer moet het volgende worden vooropgesteld.

In het licht van het EVRM is het gebruik voor het bewijs van een ambtsedig proces-verbaal, voor zover inhoudende een niet ter terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende verklaring, niet zonder meer ongeoorloofd en in het bijzonder niet onverenigbaar met artikel 6, eerste lid en derde lid, aanhef en onder d, EVRM.

Van onverenigbaarheid als hiervoor bedoeld is in ieder geval geen sprake indien de verdediging in enig stadium van het geding, hetzij op de terechtzitting hetzij daarvoor, de gelegenheid heeft gehad om een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen. Van de verdediging mag in de regel het nodige initiatief daartoe worden verwacht. Voorts is van ongeoorloofdheid als hiervoor bedoeld geen sprake indien genoemde gelegenheid heeft ontbroken, doch die verklaring in belangrijke mate steun vindt in andere bewijsmiddelen.

Blijkens het dossier is [rechter-commissaris], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank - naar aanleiding van zijn beslissing om de verdachte niet toe te laten tot het verhoor van de getuige [getuige 1] - bij fax van 30 november 2010 door de raadsman gewraakt. Dit verzoek is op 6 december 2010 door de wrakingskamer afgewezen. Op 7 december 2010 heeft de raadsman een bezwaarschrift ex artikel 208, derde lid, Sv ingediend tegen de beslissing van [rechter-commissaris] om de verdachte niet toe te laten tot het verhoor van de getuige [getuige 1]. De getuige [getuige 1] is op 7 december 2010 tijdig verschenen voor haar verhoor. [rechter-commissaris] heeft de raadsman, die eveneens was verschenen, medegedeeld dat het ingediende bezwaarschrift naar zijn oordeel niet in de weg stond aan het door laten gaan van het getuigenverhoor, waarop hij met het verhoor is aangevangen. Nog voordat de getuige haar personalia kon opgeven heeft de raadsman [rechter-commissaris] opnieuw gewraakt. Ook dit wrakingsverzoek is afgewezen.

Voorafgaand aan het laatstgenoemde wrakingsverzoek hebben zich geen andere feiten en omstandigheden voorgedaan dan die aan het eerstgenoemde wrakingsverzoek ten grondslag hebben gelegen. Onder deze omstandigheden heeft de raadsman het aan zichzelf te wijten dat hij zich, door een (wederom) onsuccesvol wrakingsverzoek tegen [rechter-commissaris] in te dienen, de gelegenheid heeft ontnomen [getuige 1] te ondervragen en bestaat geen aanleiding de bij de politie afgelegde verklaringen uit te sluiten van het bewijs of deze uitsluitend te gebruiken indien zij in voldoende mate steun vinden in de overige gebezigde bewijsmiddelen.

Het verweer wordt verworpen. De verklaringen van de getuige [getuige 1], zoals zij deze bij de politie heeft afgelegd, mogen zonder beperking voor het bewijs worden gebruikt.

Aangever/getuige [slachtoffer 4] De raadsman heeft betoogd dat de verklaringen van aangever/getuige [slachtoffer 4] zoals hij deze bij de politie heeft afgelegd, niet voor het bewijs mogen worden gebruikt. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de verdediging geen gelegenheid heeft gehad de verklaringen van deze belastende aangever/getuige te kunnen toetsen, aangezien hij hem niet heeft kunnen ondervragen. Voorts vinden deze verklaringen geen steun in andere bewijsmiddelen.

Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

De verdediging heeft niet in enig stadium van het geding de gelegenheid gehad om [slachtoffer 4], die belastende verklaringen bij de politie heeft afgelegd, te (doen) ondervragen.

[slachtoffer 4] is door de rechter-commissaris opgeroepen om op 1 oktober 2010 een getuigenverklaring af te leggen, doch is bij die gelegenheid niet verschenen. Na daartoe opnieuw te zijn opgeroepen, is [slachtoffer 4] op 1 november 2010 verschenen, doch voordat het verhoor kon aanvangen heeft hij het gerechtsgebouw weer verlaten. Op 4 april 2011 heeft de rechtbank de medebrenging van [slachtoffer 4] gelast ter terechtzitting van 11 april 2011, bij welke gelegenheid hij evenmin is verschenen. Mr. Beg, de raadsman van [slachtoffer 4], heeft op de terechtzitting van 12 april 2011 aangegeven dat zijn cliënt voor een periode van een half jaar in het buitenland verblijft en dat hij gedurende die periode niet in de gelegenheid is om een getuigenverklaring af te leggen. Gelet hierop heeft de rechtbank afgezien van een hernieuwde oproeping van de getuige [slachtoffer 4], aangezien onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn op de terechtzitting zal verschijnen.

Met inachtneming van hetgeen hiervoor ten aanzien van de bruikbaarheid van de verklaringen van de getuige [getuige 1] is vooropgesteld, bestaat er geen aanleiding om de verklaringen van [slachtoffer 4], zoals hij deze bij de politie heeft afgelegd, van het bewijs uit te sluiten. Voor de betrokkenheid van de verdachte bij het onder 4 laste gelegde feit is naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate steun te vinden in de overige gebezigde bewijsmiddelen.

Het verweer wordt verworpen. De verklaringen van aangever/getuige [slachtoffer 4], zoals hij deze bij de politie heeft afgelegd, mogen voor het bewijs worden gebruikt.

Aangever/getuige [slachtoffer 5] De raadsman heeft - onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder het kopje “Bewijsuitsluiting verklaringen [getuige 1], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5]” is aangevoerd - bepleit dat de verklaringen van aangever/getuige [slachtoffer 5], zoals hij deze ten overstaan van de rechter-commissaris en bij de politie heeft afgelegd, niet voor het bewijs mogen worden gebruikt, aangezien het ondervragingsrecht ten aanzien van deze getuige - nu hij voorafgaand aan zijn verhoor bij de rechter-commissaris heeft kennisgenomen van het dossier - illusoir is geworden en hij gelijk te stellen is met een niet door de verdediging ondervraagde getuige.

Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

Zoals hiervoor is overwogen levert de verstrekking van het dossier aan de raadsman van een van de benadeelde partijen geen vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a Sv. De omstandigheid dat [slachtoffer 5] voorafgaand aan zijn verhoor bij de rechter-commissaris - heeft kennisgenomen van het dossier kan gevolgen hebben voor de bruikbaarheid van zijn verklaring voor het bewijs, doch het standpunt van de raadsman, dat [slachtoffer 5] door voormelde gang van zaken gelijk te stellen is met een niet door de verdediging ondervraagde getuige, deelt de rechtbank niet.

Nu de verdediging de gelegenheid heeft gehad aangever/getuige [slachtoffer 5] bij de rechter-commissaris te (doen) ondervragen staat niets eraan in de weg dat de door [slachtoffer 5] bij de politie afgelegde verklaringen voor het bewijs worden gebruikt.

Het verweer wordt verworpen. De verklaringen van aangever/getuige [slachtoffer 5], zoals hij deze bij de politie heeft afgelegd, mogen voor het bewijs worden gebruikt.

Toelichting op bewezenverklaring feit 8. Door de raadsman is bepleit dat vrijspraak moet volgen van het bestanddeel ‘gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening’, nu het bevel op grond waarvan [verbalisant 4] in de cel van de verdachte aanwezig was, niet afkomstig was van een bevoegde (hulp)officier van justitie.

De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheid niet afdoet aan de rechtmatigheid van de uitoefening van de bediening van [verbalisant 4], die – naar kan worden aangenomen – te goeder trouw een bevel uitvoerde van een meerdere.


KWALIFICATIE

De bewezen feiten leveren op:

1 impliciet subsidiair doodslag;

3 primair medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd;

4 primair medeplegen van poging tot moord, meermalen gepleegd;

6 subsidiair medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

7. wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmee gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben;

8. mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.


STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN EN VAN DE VERDACHTE

Beroep op (putatief) noodweer voor wat betreft feit 1.

De raadsman heeft betoogd dat [slachtoffer 1] in een hectische situatie, waarbij [slachtoffer 1] en de verdachte vlak naast elkaar stonden, een balletjespistool op de verdachte heeft gericht, dat de verdachte in de, naar later bleek onjuiste, veronderstelling verkeerde dat dit een echt pistool was en dat de verdachte ter noodzakelijke verdediging van zijn eigen lijf een schot op [slachtoffer 1] heeft gelost. De raadsman stelt dat er aldus sprake is geweest van (putatief) noodweer.

Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

Voor een geslaagd beroep op (putatief) noodweer dient allereerst de vraag te worden beantwoord of aannemelijk is geworden dat er sprake was van een (vermeende) ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen noodzakelijke verdediging geboden was.

Bij de beoordeling van de aannemelijkheid van die situatie betrekt de rechtbank dat de verdachte eerst bij zijn verklaring bij de rechter-commissaris op 1 juni 2010 heeft verklaard over het pistool van [slachtoffer 1]. De getuige [getuige 3] stond zeer dicht bij zowel het slachtoffer als de verdachte toen er werd geschoten. Zij heeft enkele uren na het schietincident verklaard dat de verdachte een pistool op zijn lichaam droeg, in zijn rechterhand hield en dat zij zag en hoorde dat hij in de borst van [slachtoffer 1] schoot. De getuige rept met geen woord over wapengebruik door [slachtoffer 1]. Bij de rechter-commissaris op 7 september 2010 verklaart zij voorts dat [slachtoffer 1] op geen enkel moment een wapen in zijn handen heeft gehad en dat het niet mogelijk is dat hij dat wel heeft gehad, maar dat zij dat niet heeft gezien.

Voorts moet de rechtbank vaststellen dat er geen enkele verklaring in het dossier zit die de lezing van de verdachte onderschrijft.

Gelet hierop worden de feiten en omstandigheden die aan het beroep op (putatief) noodweer ten grondslag zijn gelegd niet aannemelijk geacht, zodat reeds om die reden dit beroep faalt. Het beroep op (putatief) noodweer wordt dan ook verworpen.

Beroep op noodweer(exces) voor wat betreft feit 8.

Aan de verdachte komt ter zake het onder 8 ten laste gelegde volgens de raadsman een beroep toe op noodweer(exces) nu de verdachte zich mocht verdedigen tegen een wederrechtelijke aanranding en voorzover hij daarbij de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden dit laatste het onmiddellijke gevolg is geweest van een door het op hem toegepaste geweld veroorzaakte hevige gemoedsbeweging.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

De enkele omstandigheid dat het onderzoek aan het lichaam van verdachte plaats vond op last van een daartoe niet bevoegde (hulp)officier van justitie, brengt niet mee dat de verdachte, onwetend van dit gebrek, zich bij de uitvoering van dat onderzoek op enig moment bevond in een situatie van wederrechtelijke aanranding die ogenblikkelijk gevaar voor hem opleverde waartegen verdediging geboden was. Nu ook overigens niet aannemelijk is geworden dat de in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) bedoelde noodweersituatie zich hier voordeed is hiermee de grondslag aan het beroep op noodweer(exces) komen te ontvallen.

Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. De feiten en de verdachte zijn strafbaar.


STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere ernstige strafbare feiten, te weten een doodslag, wederrechtelijke vrijheidsberoving, een poging tot moord op drie personen, bedreiging met een vuurwapen, wederspannigheid en mishandeling.

De verdachte heeft het slachtoffer [slachtoffer 1] in de borst geschoten, tengevolge waarvan het slachtoffer is komen te overlijden. Door aldus te handelen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan doodslag, één van de zwaarste delicten die de Nederlandse strafwet kent.

Met het plegen van dit delict heeft de verdachte een einde gemaakt aan het leven van een 26-jarige man. Hij heeft hem het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen. Tevens heeft de verdachte de nabestaanden van het slachtoffer onbeschrijfelijk veel leed toegebracht. De partner en de zus van het overleden slachtoffer hebben ter terechtzitting hun spreekrecht uitgeoefend. Zij hebben op indringende wijze onder woorden gebracht welke invloed de plotselinge en gewelddadige dood van hun partner en broer op het leven van diens nabestaanden heeft gehad. De nabestaanden van het overleden slachtoffer zullen de gevolgen van dit onherroepelijke, volstrekt zinloze en volkomen onverwachte verlies van hun familielid voor altijd met zich dragen.

Daarnaast heeft de verdachte, samen met anderen, een persoon bij verschillende gelegenheden wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd. Zij hebben het slachtoffer opgezocht bij zijn woning, in een auto geduwd en vervoerd naar een woning in Almere, alwaar zij hem - onder meer onder bedreiging van een vuurwapen - hebben vastgehouden. Vervolgens hebben zij het slachtoffer naar meerdere banken in Nederland gebracht, alwaar hij in hun opdracht frauduleuze handelingen moest verrichten.

De verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan poging tot moord op drie inzittenden van een auto. Hij heeft vanuit een rijdende auto met een semiautomatisch vuurwapen op de auto van de slachtoffers geschoten. Ter plekke zijn vijftien hulzen aangetroffen, de auto is acht keer geraakt. De aanleiding van de schietpartij is onduidelijk gebleven. Wel heeft een van de aangevers verklaard de verdachten te hebben herkend als de mannen die hem enige dagen eerder in Amsterdam hadden getracht te overvallen. Als door een wonder is bij de schietpartij geen van de slachtoffers geraakt en hebben zij slechts lichte verwondingen opgelopen, ondanks het feit dat hun auto na de schietpartij met hoge snelheid tegen de vangrail is gereden.

De rechtbank rekent de verdachte dit feit zeer zwaar aan. Het is slechts aan omstandigheden buiten verdachtes wil te danken dat er geen doden zijn gevallen. Een dergelijk gewelddadig optreden op straat versterkt de in de maatschappij levende gevoelens van onveiligheid.

Voorts heeft de verdachte iemand bedreigd met een vuurwapen. Hij heeft hem, samen met een van de medeverdachten, in een auto naar een parkeerplaats bij een natuurgebied gebracht. Aldaar aangekomen heeft de verdachte een pistool gepakt, er een geluiddemper op gedraaid en het slachtoffer gemaand uit te stappen. Het slachtoffer heeft kort hierna de mogelijkheid gezien uit de inmiddels weer rijdende auto te springen en hij is vervolgens hard weggerend.

Het behoeft geen betoog dat een voorval als het onderhavige voor het slachtoffer een uiterst traumatische uitwerking moet hebben gehad. Het slachtoffer hield er rekening mee dat hij ter plekke doodgeschoten zou worden. Aangenomen moet worden dat hij nog langdurig angstgevoelens heeft ondervonden.

Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid en mishandeling van een agent. Toen de verdachte bij een verkeerscontrole werd staande gehouden stopte de verdachte in eerste instantie, maar gaf vervolgens vol gas en vluchtte een doodlopende straat in. De verdachte is bij zijn poging deze straat weer te verlaten tegen een politiewagen aangereden en heeft vervolgens twee verbalisanten geschopt en geslagen. De beide verbalisanten hebben hierbij letsel opgelopen. Eenmaal in zijn cel heeft de verdachte een andere verbalisant een vuistslag tegen het hoofd gegeven.

Ook dit zijn kwalijke feiten.

De verdachte heeft zich, kortom, binnen een periode van nog geen zes maanden schuldig gemaakt aan een reeks uiterst gewelddadige, ernstige strafbare feiten. De verdachte heeft diverse slachtoffers gemaakt. De verdachte heeft zijn aandeel in een groot gedeelte van de feiten ontkend en daardoor is geen inzicht in zijn motieven.

Wat de rechtbank de meeste zorgen baart, is dat de verdachte het vanzelfsprekend lijkt te vinden om steeds met vuurwapens op zak te lopen. Dat het bezit van vuurwapens uiteindelijk leidt tot het gebruik daarvan, is ook in deze zaak weer duidelijk geworden. Nadat de verdachte al bij verschillende gelegenheden niet heeft geschroomd een vuurwapen aan zijn slachtoffers te tonen en dit ook daadwerkelijk te gebruiken, heeft zijn vuurwapenbezit uiteindelijk tot de dood van [slachtoffer 1] geleid.

De ernst van de feiten gebiedt oplegging van een zeer langdurige gevangenisstraf.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de duur van de op te leggen straf gelet op het rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum te Utrecht. De verdachte is hier voor een periode van iets meer dan vier weken geobserveerd geweest. De verdachte heeft het onderzoek zeer consistent geweigerd en de observatie is dan ook voortijdig beëindigd. Omdat de verdachte niet met individuele onderzoekers heeft willen spreken en hij niet aan psychologisch testonderzoek heeft willen meewerken, concluderen B. Roelofs, psycholoog en F.R. Kruisdijk, psychiater, dat er onvoldoende informatie is verkregen over de verdachte als persoon en dat zij hierom niet in staat zijn om aan te geven of de verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens en om te adviseren over de toerekeningsvatbaarheid. De rechtbank kan dan ook slechts concluderen dat de feiten aan de verdachte volledig moeten worden toegerekend.

Ook is rekening gehouden met het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 31 maart 2011, waaruit blijkt dat de verdachte reeds meermalen voor ernstige delicten van gewelddadig aard is veroordeeld. De maatschappij dient voor langere tijd te worden beschermd tegen de aanwezigheid van de verdachte, van wie ernstig te vrezen valt dat hij opnieuw strafbare feiten gaat plegen als hij op vrije voeten is.

De op te leggen straf is, in aanmerking genomen de vrijspraak van de feiten 2 en 6 primair en gelet op straffen die in vergelijkbare zaken plegen te worden opgelegd, lager dan door de officier van justitie is geëist.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.


VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer 4], domicilie kiezende ter kantore van diens raadsman te Amsterdam, ter zake van feit 4. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 5.000,- en immateriële schade tot een bedrag van € 500,-.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 4 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht en de gevorderde materiële schadevergoeding de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal de vordering worden toegewezen.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 4 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid en gelet op algemene ervaringsregels worden vastgesteld op € 500,- zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.

Tevens zal de wettelijke rente dienen te worden betaald over de toegekende bedragen.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd. Het vorenstaande laat onverlet dat de verdachte en zijn mededader onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij de billijkheid een andere verdeling vordert.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 540,- en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.


TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 63, 180, 181, 282, 285, 287, 289, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 impliciet primair, 2, 5 en 6 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 impliciet subsidiair, 3 primair, 4, 6 subsidiair, 7 en 8 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van achttien (18) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 5.500 (zegge: vijfduizendvijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijk rente vanaf 2 september 2009 tot aan de dag van de algehele voldoening, en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan [slachtoffer 4], domicilie kiezende ten kantore van diens raadsman te 1090 GL Amsterdam, Postbus 94476, te betalen, met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 540,-, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 5.500 (zegge: vijfduizendvijfhonderd euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 62 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.


Dit vonnis is gewezen door:

mr. Klein Wolterink, voorzitter, en mrs. Russell – van der Hoeven en Van den Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. Balk en Schut, griffiers, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 april 2011.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I bij vonnis van 29 april 2011:

TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1. (zaak Palmhove)

hij op of omstreeks 22 oktober 2009 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk, een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een kogel in/door de borstkas, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

(Art. 289/287 jo 47 Wetboek van Strafrecht)

2. (zaak Beverwaard)

hij op of omstreeks 05 augustus 2009 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk, een persoon genaamd [aangever 1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

met (een) vuurwapen(s), althans (een) op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en), meermalen, althans eenmaal, een of meer kogels naar en/of in de richting van die [aangever 1], althans op/in de richting van een auto waarin die [aangever 1] zich bevond, heeft afgeschoten en/of afgevuurd, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

(Art. 289/287/302 jo 47 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 05 augustus 2009 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend - met (een) vuurwapen(s), althans (een) op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en), meermalen, althans eenmaal, een of meer kogels naar en/of in de richting van die [aangever 1], althans op/in de richting van een (personen)auto, waarin die [aangever 1] zich bevond, afgeschoten en/of afgevuurd en/of

- (daarbij) (met hoge snelheid) in een (personen)auto, die [aangever 1] achtervolgd en/of - (vervolgens) (daarbij) aan die [aangever 1] de woorden toegevoegd: "Kankerlijer, ik maak je dood", althans woorden gelijke dreigende aard en/of strekking;

(Art. 285 jo 47 Wetboek van Strafrecht)

3. (Zaak Almere)

hij in of omstreeks de periode van 30 juni 2009 tot en met 09 juli 2009 te Rotterdam en/of Almere en/of Utrecht en/of Kerkrade en/of Zeewolde, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer 3], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal

- die [slachtoffer 3] opgezocht bij/in zijn woning in Utrecht en/of - (vervolgens) (daarbij) die [slachtoffer 3] gedwongen om met hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) mee te gaan en/of - die [slachtoffer 3] (met kracht) beetgepakt/vastgepakt en/of in een auto geduwd en/of - (vervolgens) die [slachtoffer 3] met een auto vervoerd en/of - die [slachtoffer 3] ondergebracht en/of vastgehouden in een woning te Almere en/of - aan die [slachtoffer 3] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, getoond en/of (daarbij) aan die [slachtoffer 3] de woorden toegevoegd: "Doe rustig, doe geen gekke dingen, want anders komen er problemen. En deze is voor problemen" en/of - die [slachtoffer 3] onder bewaking van een of meer personen in voornoemde woning achtergelaten, waarbij die [slachtoffer 3] deze woning niet mocht verlaten en/of - (daarbij) die [slachtoffer 3] vastgepakt/beetgepakt toen die de woning wilde verlaten en/of - (daarbij) de deuren van deze woning afgesloten en/of laten afsluiten en/of - die [slachtoffer 3] in een auto naar een of meer banken in Nederland vervoerd/gebracht;

(Art. 282 jo 47 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij in of omstreeks de periode van 30 juni 2009 tot en met 09 juli 2009 te Rotterdam en/of Almere en/of Utrecht en/of Kerkrade en/of Zeewolde, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, [slachtoffer 3] door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 3] en/of [getuige 4], wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, te weten:

- met verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) mee te gaan en/of bij hen te blijven en/of - te verblijven in een woning in Almere en/of - naar een of meer banken/geldinstellingen te gaan (om aldaar de (criminele) activiteiten voor/in opdracht van verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) uit te voeren en/of voort te zetten)

heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) daartoe

die [slachtoffer 3] (tegen zijn wil): - opgezocht bij/in zijn woning in Utrecht en/of - (aldaar) beetgepakt/vastgepakt en/of in een auto geduwd en/of meegenomen naar een auto en/of - met een auto vervoerd en/of - onder bewaking, althans in de constante nabijheid van andere(n) ondergebracht in een woning te Almere en/of - vastgepakt/beetgepakt toen die de woning wilde verlaten en/of de deuren van deze woning afgesloten en/of laten afsluiten en/of - toen die [slachtoffer 3] de deur niet opende voor verdachte en/of zijn mededader(s) en/of de telefoon voor hem/hen niet meer opnam, vervolgens de/een vriendin van die [slachtoffer 3] (genaamd [getuige 4]) opgehaald (uit een psychiatrische kliniek, althans een behandel- of verzorginstelling) en/of die vriendin meegenomen naar de woning van [slachtoffer 3] en/of getoond aan die [slachtoffer 3];


(Art. 284 jo 47 Wetboek van Strafrecht)

4. (Zaak Nelson)

hij op of omstreeks 02 september 2009 te Arnhem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk, (een) perso(o)n(en) genaamd [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

met (een) vuurwapen(s), althans (een) op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en), meermalen, althans eenmaal, een of meer kogels naar en/of in de richting van die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6], althans op/in de richting van een auto waarin die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] zich bevonden, heeft afgeschoten en/of afgevuurd,

zijnde de uitvoering van dat/die voorgenomen misdrijf/misdrijven niet voltooid;

(Art. 289/287/302 jo 47 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

5. (Zaak Noorderplas)

hij in of omstreeks de periode van 01 juni 2009 tot en met 01 augustus 2009 te Almere ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk, een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen, meermalen, althans eenmaal, een of meer kogels naar en/of in de richting van die [slachtoffer 2] heeft afgeschoten en/of afgevuurd, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid,

(Art. 289/287/302 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

6.

hij in of omstreeks de periode van 08 september 2009 tot en met 09 september 2009 te Almere ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk, een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen, meermalen, althans eenmaal, een of meer kogels naar en/of in de richting van die [slachtoffer 2] heeft afgeschoten en/of afgevuurd, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

(Art. 289/287/302 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 08 september 2009 tot en met 09 september 2009 te Almere, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk dreigend die [slachtoffer 2] een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) getoond en/of voorgehouden en/of een of meer kogels naar en/of in de richting van die [slachtoffer 2] afgeschoten en/of afgevuurd;

(artikel 285 Sr)


7. (Zaak Amersfoort)

hij op of omstreeks 14 december 2009 te Amersfoort toen de aldaar dienstdoende politiemabtenaren [verbalisant 6], brigadier van politie Utrecht en/of [verbalisant 7], hoofdagent van politie Utrecht, verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 184 Wetboek van Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had(den) aangehouden en vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten een politiebureau, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner/hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig

- met een (personen)auto tegen de politieauto van voornoemde verbalisanten aan te rijden en/of - (met kracht) een autoportier open te duwen/drukken, terwijl voornoemde [verbalisant 6] deze trachtte dicht te drukken/houden - (met kracht) te rukken en/of trekken in een richting tegengesteld aan die waarin voornoemde verbalisanten, verdachte, trachtten te geleiden en/of - (met kracht) te schoppen/trappen en/of stompen/slaan naar, althans in de richting van, voornoemde verbalisanten en/of - (met kracht) met zijn, verdachtes, lichaam en/of hoofd heen en weer te bewegen

, tengevolge waarvan de opsporingsambtena(a)r(en)

[verbalisant 6] enig lichamelijk letsel (een of meer schaafwonden aan een hand)

en/of

[verbalisant 7] enig lichamelijk letsel (een of meer schaafwonden aan zijn knieen en/of een kras/snee op het hoofd en/of beurse plek/kneuzing aan het jukbeen) bekwam(en)

(Art. 181 Wetboek van Strafrecht)


8.

hij op of omstreeks 14 december 2009 te Amersfoort, opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten [verbalisant 4], hoofdagent van politie Utrecht, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, met kracht in/op/tegen het gezicht heeft gestompt/geslagen, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(art. 304 Wetboek van Strafrecht)