weebly reliable statistics
Uitspraak Peter Schoehuis - Moordzaken
Uitspraak Peter Schoehuis

Uit Moordzaken

Ga naar: navigatie, zoeken

Uitspraak RECHTBANK HAARLEM Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/740467-09 en 15/700763-07 (TUL) Uitspraakdatum: 29 juni 2010 Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 19 mei, 14 en 15 juni 2010 in de zaak tegen:

[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats], thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Midden Holland, Huis van Bewaring Haarlem te Haarlem.

1. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 22 mei 2009 te IJmuiden, gemeente Velsen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een of meermalen (met kracht) met een mes, althans met een scherp voorwerp, in de hartstreek en/of elders in het lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [het slachtoffer] is overleden.

2. Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft ter terechtzitting gerekwireerd tot: - bewezenverklaring van het impliciet primair ten laste gelegde feit, te weten moord; - oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zeven (7) jaren met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht; - toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [broer van het slachtoffer] met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel; en - niet-ontvankelijkverklaring van de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 15/700763-07.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden(1) Aantreffen en overlijden [het slachtoffer] Op 22 mei 2009 om 20:01 uur kregen twee verbalisanten van de politie Kennemerland opdracht van de meldkamer zich te begeven naar de hoek [straatnaam 1] / [straatnaam 2] te IJmuiden alwaar zich een bebloede man zou bevinden. Onderweg ontvingen zij om 20:03 uur een spoedmelding dat aan de [adres] te IJmuiden een steekincident had plaatsgevonden en dat het slachtoffer buiten kennis zou zijn. Om 20.07 uur kwam de politie ter plaatse.(2) In de tuin van genoemd perceel zagen zij een man op zijn rug liggen met een bebloed bovenlichaam.(3) Enige tijd later arriveerde het personeel van de ambulancedienst.(4) De man is vervolgens overgebracht naar het VU Medisch Centrum te Amsterdam.(5) Ondanks een spoedoperatie overleed de man om 20.46 uur diezelfde avond.(6) Op 24 mei 2009 is de man in het mortuarium van het Kennemer Gasthuis door zijn vriendin [vriendin] en zijn broer [broer] geïdentificeerd als [het slachtoffer].(7)

Op 23 mei 2009 werd door arts en patholoog [naam patholoog] van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) te Den Haag sectie verricht op het lichaam van [het slachtoffer].(8) Zij concludeerde naar aanleiding van de sectie dat het overlijden van [het slachtoffer] volledig verklaard wordt door verbloeding en weefselschade opgetreden ten gevolge van een steekletsel links in de borst en buik.(9) De minimale lengte van het steekkanaal van dit letsel werd geschat op circa 11 à 12 centimeter en liep door het kraakbenige deel van de 8e rib links, door het hartzakje, heeft de punt van de rechter kamer (reikend tot in de hartkamer) geschampt, ging door het middenrif, door de linker leverkwab en prikte de rechter leverkwab aan, waarbij het steekkanaal naar rechts verliep evenals voetwaarts en rugwaarts.(10) Toxicologisch onderzoek wees verder op de aanwezigheid van onder andere ethanol (alcohol) in het femoraalbloed en urine van [het slachtoffer] evenals op de aanwezigheid van cocaïne in het femoraalbloed.(11)

Aanleiding Op 24 mei 2009 is de bewoner van de [adres] te IJmuiden als verdachte aangehouden. Bij zijn aanhouding had verdachte een verwonding aan zijn rechterbovenbeen. In zijn verklaringen bij de politie, maar ook ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven dat hij op 22 mei 2009 in de avond onverwacht bezoek kreeg van de hem bekende [betrokkene] en een man die hij niet eerder had ontmoet en zich voorstelde als [het slachtoffer]. De reden van het bezoek was dat [betrokkene] meende dat hij nog geld van verdachte te vorderen had. Ook [betrokkene] is door de politie gehoord en hij heeft bevestigd dat hij samen met [het slachtoffer] op de bewuste avond bij verdachte is langsgegaan om een vordering van ‘een paar geeltjes’ te incasseren.(12) Voorts hebben beiden aangegeven dat verdachte [betrokkene] en [het slachtoffer] in zijn woning heeft binnengelaten en dat in de woonkamer een woordenwisseling tussen [betrokkene] en verdachte ontstond over geld. [het slachtoffer] bemoeide zich er vervolgens mee en er ontstond een gevecht.(13)

Het steekincident Vanaf het ontstaan van de vechtpartij in de woning wijken de lezingen van verdachte enerzijds en [betrokkene] anderzijds van elkaar af. Zij zijn evenwel de enigen die kunnen navertellen wat kort voor en/of tijdens het steekincident in de woning is gebeurd. Verdachte heeft ter terechtzitting – kort samengevat – verklaard door [het slachtoffer] en [betrokkene] te zijn aangevallen. Hierbij heeft hij in de woonkamer diverse klappen gekregen en voelde hij op een gegeven moment een brandende pijn in zijn rechterbovenbeen. Vervolgens is hij naar de keuken gevlucht terwijl hij achterna werd gezeten door [het slachtoffer]. In de keuken heeft verdachte een mes gepakt en zich met het mes in de hand naar [het slachtoffer] omgedraaid. Op dat moment zou [het slachtoffer] ‘in het mes gelopen zijn’, aldus verdachte. [betrokkene] heeft verklaard dat in de woonkamer een vechtpartij tussen verdachte en [het slachtoffer] ontstond, waarbij [betrokkene] tussenbeide probeerde te komen. Vervolgens zou verdachte de keuken in zijn gegaan en zijn teruggekomen met een groot mes, waarop [betrokkene] en [het slachtoffer] elk een andere kant uit zijn gevlucht. [betrokkene] heeft verklaard niet te kunnen aangeven wat zich vervolgens tussen verdachte en [het slachtoffer] in de woning heeft afgespeeld.

Duidelijk is dat de twee lezingen betreffende het gebeurde in de woning van verdachte deels onverenigbaar zijn. De rechtbank ziet zich aldus voor de vraag geplaatst aan welke van de twee lezingen meer geloof kan worden gehecht en welke aldus betrouwbaarder dient te worden geacht dan de ander. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat zowel verdachte als [betrokkene] een belang hebben bij het afschilderen van de gebeurtenissen in een voor hen gunstig(er) perspectief.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat de verklaring van verdachte niet wordt ontkracht door het aangetroffen forensisch bewijs. Voorts heeft verdachte ter terechtzitting en tegenover de politie consistent en gedetailleerd verklaard over de ruzie in de woonkamer en over hetgeen in de keuken zou zijn voorgevallen. Daar tegenover staat dat [betrokkene] zichzelf op sommige punten tegenspreekt, bijvoorbeeld over de vraag of verdachte die dag onder invloed leek te zijn of juist niet, en welke kleding hij op de avond van het incident droeg. Voorts is uit DNA-onderzoek aan bloedspatten op het shirt waarvan is vastgesteld dat [betrokkene] dat die avond droeg, naar voren gekomen dat een van de bloedsporen afkomstig was van verdachte. Opvallend is dat [betrokkene] hier tegenover de politie en later de rechter-commissaris, geen verklaring voor kan (of wil) geven. Zijn lezing van de gebeurtenissen verklaart echter niet hoe het bloed van verdachte op zijn shirt terecht zou kunnen zijn gekomen. Tot slot geeft de verklaring van [betrokkene] geen inzicht in hoe [het slachtoffer] daadwerkelijk is verwond: naar eigen zeggen heeft hij dit niet gezien en is hij het huis uitgevlucht op het moment dat hij verdachte met een mes zag, nog voordat enige verwonding teweeg was gebracht.

De rechtbank ziet, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, aanleiding uit te gaan van het feitencomplex zoals dat door verdachte is geschetst. Op basis van de verklaring van verdachte, gevoegd bij het resultaat van het sectieonderzoek, staat daarbij buiten twijfel dat het letsel dat heeft geleid tot het overlijden van [het slachtoffer] is ontstaan in de keuken door middel van het door verdachte gehanteerde mes.

Voorbedachte raad De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Op het moment dat verdachte de keuken in ging om een mes te pakken en hiermee vervolgens terugkeerde naar de woonkamer heeft hij immers de tijd gehad om zich te beraden op zijn voorgenomen daad, aldus de officier van justitie, zodat hij de gelegenheid had om de betekenis en de gevolgen ervan te overdenken en zich daarvan rekenschap te geven.

De rechtbank oordeelt dat in de onderhavige zaak voorbedachte raad niet is bewezen. De rechtbank gaat immers om de hiervoor weergegeven redenen uit van het door verdachte geschetste feitencomplex, en niet, zoals de officier van justitie, van hetgeen hieromtrent door [betrokkene] is verklaard. Daarom wordt verdachte vrijgesproken van de aan hem impliciet primair ten laste gelegde moord.

Opzet Vervolgens dient de vraag zich aan of verdachte opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Aan de hand van de verklaring van verdachte heeft de raadsman ter terechtzitting immers aangevoerd dat opzet aan de zijde van verdachte ontbrak. Verdachte zou zich hebben omgedraaid met een mes in zijn hand en [het slachtoffer] zou vervolgens op het mes ‘in zijn gelopen’. De raadsman van verdachte heeft bepleit dat uit het handelen van verdachte het opzet op het overlijden van [het slachtoffer] niet kan worden afgeleid; ook niet in voorwaardelijke zin. De raadsman concludeert dan ook primair tot vrijspraak van het ten laste gelegde feit.

De rechtbank overweegt het volgende. Verdachte heeft zijn verklaring betreffende het incident in de woning in woord en gebaar toegelicht tijdens de in de [straatnaam 1] gehouden reconstructie, waarvan een gedeelte (Dvd 1, reconstructie door verdachte, 00:41:50 tot 00:53:28) ter terechtzitting van 14 juni 2010 is vertoond. Verdachte liet daar zien hoe hij na de worsteling in de woonkamer naar de keuken vluchtte, terwijl [het slachtoffer] hem achterna zat. Verdachte liet zien hoe hij het mes vasthield, hoe hij zich in de nauwe keuken omdraaide en hoe het slachtoffer [het slachtoffer] volgens hem ‘op het mes inliep’.

Uit de hiervoor vastgestelde feiten in combinatie met haar eigen waarneming van de ter terechtzitting getoonde reconstructiebeelden, oordeelt de rechtbank dat de door verdachte gemaakte draaibeweging met het mes in de hand als een daadwerkelijke steekbeweging moet worden aangemerkt. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat het slachtoffer enkel ‘op het mes is ingelopen’. Het letsel is toegebracht met een slagersmes met een lemmet van ongeveer 23 centimeter, blijkens foto’s 219 en 220 zoals weergegeven op pagina 151 van het Forensisch dossier. Verdachte moet dat mes, gelet op de geschatte lengte van het steekkanaal van circa 11 à 12 centimeter, stevig vast hebben gehouden op het moment dat dit in contact kwam met [het slachtoffer]. De door verdachte gemaakte draaibeweging zal tevens kracht achter het mes hebben gezet. Gelet op de door verdachte gemaakte beweging met een slagersmes in de hand, terwijl [het slachtoffer] vlak achter hem stond en verdachte het mes stevig vasthield op borsthoogte, oordeelt de rechtbank dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij [het slachtoffer] zodanig zou raken, dat daardoor bij [het slachtoffer] dodelijk letsel zou kunnen ontstaan.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte dan ook in ieder geval voorwaardelijk opzet gehad op de dood van het slachtoffer.

4.2. Bewezenverklaring Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat

hij op 22 mei 2009 te IJmuiden, gemeente Velsen, opzettelijk [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met kracht met een mes in de hartstreek gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [het slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit en van verdachte Door de raadsman van verdachte is ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte gerechtigd was zich te verdedigen tegen de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [het slachtoffer] en [betrokkene]. Volgens de raadsman was het gehanteerde verdedigingsmiddel, in deze een mes, proportioneel in verhouding tot de aanranding. Verdachte had geen reële vluchtmogelijkheid en voorts kon van verdachte niet gevergd worden dat hij uit zijn eigen woning zou vluchten, zeker niet nu hij in de veronderstelling was dat zijn belagers gewapend waren en er niet voor terugdeinsden deze wapens tegen hem te gebruiken. Als de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging al heeft overschreden, komt hem als gevolg van de hevige gemoedsbeweging die de aanranding bij hem heeft veroorzaakt in ieder geval een beroep op noodweerexces toe, aldus de raadsman.

Noodweer De rechtbank overweegt ten aanzien van het beroep op noodweer het volgende. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het gestelde handelen van [betrokkene] en [het slachtoffer] een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding gericht tegen het lijf van verdachte oplevert waartegen een verdediging door verdachte gerechtvaardigd was. Verdachte is immers in zijn eigen huis door twee mannen met vuistslagen belaagd.

De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat verdachte door een van zijn belagers voorafgaande aan zijn vlucht naar de keuken met een mes in zijn been is gestoken. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard niet te hebben waargenomen dat een van zijn belagers een mes voorhanden heeft gehad. Ook andere getuigen hebben geen mes bij de belagers gezien. In de woning is geen ander bebloed mes aangetroffen. De rechtbank gaat er wel van uit dat verdachte na de vechtpartij in de woonkamer tot in de keuken door (een van) zijn belagers is gevolgd. Naar het oordeel van de rechtbank dient de reactie van verdachte daarop echter als disproportioneel te worden aangemerkt. Hierbij acht de rechtbank van belang dat verdachte zijn slachtoffer plotseling heeft gestoken, zonder eerst te waarschuwen voor het mes of te dreigen met een messteek.

Door in de gegeven omstandigheden met een groot mes een stekende beweging in het lichaam van [het slachtoffer] te maken, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank de grenzen van een noodzakelijke verdediging overschreden. Mitsdien faalt het beroep op noodweer.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluit.

Het bewezen verklaarde levert op: Doodslag.

Noodweerexces De rechtbank stelt voorop dat niet kan worden uitgesloten dat de gestelde aanval door twee mannen in het huis van verdachte een hevige gemoedsbeweging kan veroorzaken waardoor grenzen van een noodzakelijke verdediging kunnen worden overschreden. Bezien dient te worden wat de aard en intensiteit van de hevige gemoedsbeweging is geweest bij verdachte welke zou zijn veroorzaakt door de aanranding van verdachte. Voorts is van belang vast te stellen in welke mate de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden en in hoeverre dit het onmiddellijke gevolg is geweest van deze hevige gemoedsbeweging.

Ten aanzien van de gestelde hevige gemoedsbeweging heeft verdachte meermalen verklaard dat zijn huis niet meer als zijn thuis voelde en dat hij in paniek was. Gezien de aard van de aanranding zoals ook hiervoor onder het kopje ‘noodweer’ is geschetst, kan de rechtbank begrijpen dat deze aanranding bij verdachte angst en een gevoel van onveiligheid als gemoedsbeweging tot stand heeft gebracht. De rechtbank acht het echter niet aannemelijk dat, zoals door de raadsman is aangegeven, verdachte zich in een levensbedreigende situatie waande met bijbehorende overlevingsdrift. Voor wat betreft het overschrijden van de grenzen van de noodzakelijke verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte deze grenzen, door met een groot mes in vitale delen van het lichaam te steken, in zeer ernstige mate heeft overschreden. Aldus is de rechtbank van oordeel dat de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging door verdachte zijn overschreden niet als onmiddellijk gevolg kan worden aangemerkt van de ontstane (hevige) gemoedsbeweging. Met andere woorden: de reactie van verdachte is dusdanig disproportioneel geweest dat deze niet als direct gevolg van de gemoedsbeweging kan worden gezien die is veroorzaakt door de aanval van de twee mannen. Het beroep op noodweerexces wordt dan ook verworpen.

Nu ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit, is verdachte strafbaar.

6. Motivering van de sanctie Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is in zijn eigen woning door twee mannen belaagd. Eén van deze mannen, het latere slachtoffer, was op dat moment onder invloed van alcohol en cocaïne. Het waren deze mannen die het gebruik van geweld hebben geïnitieerd. Invoelbaar is dat dit angst en een gevoel van onveiligheid heeft teweeg gebracht, en verdachte ertoe heeft gebracht zich tegen deze aanranding te verdedigen. Daarom kan het uiteindelijke steken door verdachte dan ook niet gezien worden als een koele afrekening, maar moet de dood van [het slachtoffer] eerder worden beschouwd als een dramatisch en verschrikkelijk gevolg van een door verdachte volkomen verkeerd gekozen verdedigingsmiddel welke hij op disproportionele wijze heeft aangewend.

In het nadeel van verdachte weegt mee dat hij een jonge man, [het slachtoffer], opzettelijk met een mes in de hartstreek heeft gestoken. Als gevolg hiervan is het slachtoffer later in het ziekenhuis overleden. Verdachte heeft [het slachtoffer] zijn meest kostbare bezit, namelijk zijn leven, afgenomen. Levensdelicten vormen de ernstigste delicten die het Wetboek van Strafrecht kent en rechtvaardigen alleen al om die reden een strenge bestraffing. Daarnaast heeft deze doodslag onbeschrijfelijk veel leed aan de nabestaanden toegebracht. Het slachtoffer laat niet alleen zijn vriendin, familie en vrienden achter, maar tevens twee jonge kinderen die nu moeten opgroeien zonder hun vader. Door de wijze waarop het slachtoffer aan zijn einde is gekomen is de rechtsorde ernstig geschokt. In het nadeel van verdachte neemt de rechtbank voorts in aanmerking dat verdachte in het verleden meermalen voor geweldsmisdrijven is veroordeeld.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat een straf die langdurige vrijheidsbeneming meebrengt dient te worden opgelegd. De rechtbank legt evenwel een vrijheidsbenemende straf op die korter is dan door de officier van justitie gevorderd omdat zij tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie en omdat zij in de genoemde omstandigheden van het geval daarvoor aanleiding ziet.

7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

7.1. Vordering benadeelde partij De benadeelde partij [broer van het slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 10.435,30 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het schadeveroorzakende feit) ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit: de kosten van de uitvaart, grafrechten en een grafsteen voor het slachtoffer [het slachtoffer]. De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot het gevorderde bedrag eenvoudig is vast te stellen en rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. De vordering zal dan ook worden toegewezen. De rechtbank stelt vast dat wettelijke rente verschuldigd is vanaf de dag van de begrafenis, te weten 29 mei 2009. Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

7.2. Schadevergoedingsmaatregel De rechtbank stelt vast dat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde feit is toegebracht. Opdat de benadeelde partij niet zelf wordt belast met de inning van het toegewezen bedrag zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opleggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij is toegewezen, te weten € 10.435,30.

8. Vordering tenuitvoerlegging Bij vonnis van 21 december 2007 in de zaak met parketnummer 15/700763-07 heeft de politierechter te Haarlem verdachte ter zake van twee maal een bedreiging, twee maal een vernieling en openlijke geweldpleging veroordeeld tot - onder meer - een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee (2) maanden. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de vordering niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard, nu reeds eerder de tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijke straf is gelast.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het volgende strafbare feit oplevert: DOODSLAG.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VIJF (5) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [broer van het slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 10.435,30 (tienduizend vierhonderd en vijfendertig euro en dertig eurocent) en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 mei 2009 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [broer van het slachtoffer], voornoemd, rekeningnummer [rekeningnummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [broer van het slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 10.435,30 (tienduizend vierhonderd en vijfendertig euro en dertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 mei 2009, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 87 dagen hechtenis. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij, voornoemd, in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Verklaart niet-ontvankelijk de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 15/700763-07 opgelegde voorwaardelijke straf.


Voetnoten: (1) De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. De voor het bewijs gebezigde schriftelijke stukken worden slechts in samenhang met de overige bewijsmiddelen tot bewijs gebezigd. (2) Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 mei 2009 (dossierpagina 249). (3) Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 mei 2009 (dossierpagina 250). (4) Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 mei 2009 (dossierpagina 251). (5) Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 mei 2009 (dossierpagina 239). (6) Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 augustus 2009 (Forensisch dossier, pagina 159). (7) Proces-verbaal van confrontatie (lichaam) d.d. 24 mei 2009 (dossierpagina 216). (8) Voorlopig sectieverslag van het NFI te Den Haag d.d. 23 mei 2009, opgemaakt door arts en patholoog dr. [naam patholoog] (Forensisch dossier, pagina’s 203-205). (9) Deskundigenrapport van het NFI te Den Haag d.d. 3 juni 2009, opgemaakt door arts en patholoog dr. [naam patholoog] (Forensisch dossier, pagina 210). (10) Deskundigenrapport van het NFI te Den Haag d.d. 3 juni 2009, opgemaakt door arts en patholoog dr. [naam patholoog] (Forensisch dossier, pagina 208). (11) Deskundigenrapport van het NFI te Den Haag d.d. 1 juli 2009, opgemaakt door apotheker dr. [naam apotheker] (Forensisch dossier, pagina 241). (12) Proces-verbaal van verhoor van [betrokkene] d.d. 23 mei 2009 (dossierpagina 121). (13) Proces-verbaal van verhoor van [betrokkene] d.d. 4 juni 2009 (dossierpagina’s 185-187); verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting d.d. 14 juni 2010.


Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.A. van den Boogaard, voorzitter, mrs. J. Snitker en J. Candido, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Zoethout, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 juni 2010.