weebly reliable statistics
Uitspraak Rob Sitek - Moordzaken
Uitspraak Rob Sitek

Uit Moordzaken

Ga naar: navigatie, zoeken

Uitspraak RECHTBANK AMSTERDAM


Parketnummer: 13/401114-09 (PROMIS)

Datum uitspraak: 21 april 2010 op tegenspraak


VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1971, ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], gedetineerd in het Huis van Bewaring "Havenstraat" te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 en 8 april 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.A. Kloos en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. G.G.J. Knoops en door de verdachte naar voren is gebracht.


1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 05 juli 2009 te Amsterdam aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een schedelbreuk en/of hersenletsel), heeft toegebracht, door opzettelijk die [slachtoffer] (met kracht) (met een tot vuist gebalde hand) in/tegen/op het gezicht, in elk geval tegen/op het hoofd, te stompen en/of te slaan (als gevolg waarvan de wervelslagaders van die [slachtoffer] zijn gescheurd hetgeen heeft geleid tot een ernstige, uitgesproken subarachnoidale bloeding en/of die [slachtoffer] met zijn (achter)hoofd tegen/op het wegdek is gevallen), tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 05 juli 2009 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [slachtoffer] (met kracht) (met een tot vuist gebalde hand) in/tegen/op het gezicht, in elk geval tegen/op het hoofd, heeft gestompt en/of geslagen (als gevolg waarvan de wervelslagaders van die [slachtoffer] zijn gescheurd hetgeen heeft geleid tot een ernstige, uitgesproken subarachnoidale bloeding en/of die [slachtoffer] met zijn (achter)hoofd tegen/op het wegdek is gevallen), tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 24 november 2007 te Amstelveen opzettelijk mishandelend [persoon 1] met de hand aan de arm heeft vastgepakt en/of heeft geknepen en/of met de hand in de halsstreek heeft vastgepakt en/of geknepen en/of met de elleboog tegen de borst en/of hals/linkerschouder heeft geduwd en/of geslagen, waardoor voornoemde [persoon 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 24 november 2007 te Amstelveen [pe[persoon 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend vastgepakt (eerst haar tas en/of daarna met kracht haar pols en/of haar keel) en/of (daarbij) voornoemde [persoon 1] dreigend de woorden toegevoegd : "Je moet betalen" en/of "Ik heb in het verleden vaker vrouwen geslagen en ik ben daar niet vies van", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.


2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


3. De feiten

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen de volgende feiten af. Over deze feiten bestaat tussen het openbaar ministerie en de verdediging geen verschil van inzicht.

Ten aanzien van het onder 1. tenlastegelegde.

3.1. Op 5 juli 2009 omstreeks 4:22 uur ontstaat op de taxistandplaats op het Leidseplein te Amsterdam een conflict tussen verdachte en [slachtoffer]. Verdachte is daar werkzaam als taxichauffeur. [slachtoffer] is die nacht uitgeweest en is op dat moment onder invloed van alcoholi. In dit conflict geeft verdachte [slachtoffer] een klap, in reactie op een klap van [slachtoffer].ii [slachtoffer] valt direct hierop op de grond en verliest het bewustzijn. [slachtoffer] overlijdt vervolgens op 5 juli 2009 te 13:00 uur in het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam.iii Het overlijden is het gevolg van hersenletsel.iv

Ten aanzien van het onder 2. en 3. tenlastegelegde.

3.2. Op 24 november 2007 bevinden zich drie vrouwen, te weten [persoon 1], [persoon 2] en [persoon 3], bij de Westergasfabriek te Amsterdam. Verdachte is aldaar werkzaam als taxichauffeur en vervoert de vrouwen naar de Jungfrau te Amstelveen. Daar ontstaat een geschil over de prijs en het vervolg van de taxirit, hetgeen erin uitmondt dat verdachte de tas en vervolgens de pols van [persoon 1] vastpakt. Nadat de vader van [persoon 3] verdachte heeft betaald, laat verdachte [persoon 1] los en rijdt weg.v


4. Waardering van het bewijs

Inleiding Ter terechtzitting van 7 april 2010 heeft de rechtbank een viertal deskundigen gehoord. De deskundige Van Driessche, als forensisch patholoog verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft zijn rapport, dat - kort gezegd en zakelijk weergegeven - inhoudt dat de dood van het slachtoffer [slachtoffer] kan worden verklaard door het scheuren van de twee wervelslagaders, en dat die bevindingen beter passen bij de hypothese dat dat letsel is veroorzaakt door een klap dan door een val op het achterhoofd, nader toegelicht. De deskundige Holstege, als neuro-anatoom verbonden aan de Universiteit Groningen, heeft de conclusies van Van Driessche weersproken. Hij stelt dat het scheuren van de wervelslagaders moet zijn veroorzaakt door de val. Voorts is op verzoek van de verdediging de deskundige Bloem, bewegingswetenschapper en vechtsportexpert gehoord. Hij heeft zijn rapportage nader toegelicht. Deze houdt in - ook weer kort gezegd en zakelijk weergegeven - dat naar zijn oordeel de verdachte met de vlakke hand een min of meer ongecontroleerde en reflexmatige afweerreactie heeft gegeven op de ernstige bedreiging die verdachte voelde door de handelingen van [slachtoffer]. De deskundige Holstege heeft dat rapport voorts ondersteund voor zover het betreft een nadere uitleg van de werking van de middenhersenen. Deskundige Van Dieën, als bewegingswetenschapper, en in het bijzonder gespecialiseerd in biomechanica, verbonden aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, heeft samen met een tweetal collega's de rapportage van Bloem becommentarieerd, en heeft ter terechtzitting uiteengezet op welke punten hij de conclusies van dat rapport niet deelt en zou willen nuanceren. Hij heeft voorts de rapportage van deskundige Van Driessche in zoverre ondersteund dat het scheuren van de wervelslagaders ook naar zijn inzicht beter te verklaren valt door het overstrekken en draaien van die aders dan door het inwerken van stomp, mechanisch geweld op het achterhoofd.

In de hierna weergegeven standpunten van het openbaar ministerie en de verdediging wordt verwezen naar de hierboven weergegeven standpunten van de deskundigen.


4.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

Ten aanzien van het onder 1. tenlastegelegde.

4.1.1. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat op basis van het dossier wettig en overtuigd kan worden bewezen dat verdachte het aan hem primair tenlastegelegde heeft begaan. De officier van justitie heeft ter ondersteuning van dit standpunt het volgende aangevoerd.

4.1.2. De lezing van verdachte dat hij met een half gesloten hand zou hebben geslagen wordt niet ondersteund door vele getuigenverklaringen in het dossier. Die verklaringen duiden veeleer op een zeer harde klap die verdachte zou hebben gegeven, en die er professioneel uitzag, hetgeen kan worden verklaard doordat verdachte een geoefend kickbokser is.

Kwalificatie 4.1.3. Het scheuren van wervelslagaders aangevuld met een ernstige schedelbreuk kan moeilijk anders worden gekwalificeerd dan als zwaar lichamelijk letsel.

Opzet en causaal verband 4.1.4. De reactie van verdachte is niet aan te merken als een reflexmatige reactie. De officier van justitie zet vraagtekens bij de feitelijke en wetenschappelijke onderbouwing van de conclusies van de deskundige Bloem. Hij wijst voorts op de uitdrukkelijke verklaring van verdachte, inhoudende dat hij niet in een reflex heeft geslagen.

4.1.5 Volgens de officier had verdachte opzet om het slachtoffer zwaar te mishandelen. Het is algemeen bekend dat het hoofd een kwetsbaar onderdeel van het lichaam is en dat de reële kans bestaat dat een harde, gerichte vuistslag op het hoofd tot zwaar lichamelijk letsel kan leiden. Bovendien is verdachte een geoefend vechtsporter. In lijn hiermee is de verklaring van getuige [persoon 4] en de verschillende verklaringen van getuigen die spreken over een professioneel uitziende klap. Gezien het vorenstaande is de kans aanmerkelijk dat verdachte het slachtoffer met zijn handeling zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Daarom is er sprake van voorwaardelijk opzet. Verdachte heeft onder deze omstandigheden willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen door hem hard met zijn vuist tegen zijn hoofd te slaan. Bovendien is de kans dat iemand als gevolg van een dergelijke klap tegen het hoofd valt en ook daarbij zwaar lichamelijk letsel oploopt aanmerkelijk en heeft verdachte ook die kans bewust aanvaard. De officier van justitie heeft niet aannemelijk geacht dat verdachte opzet had op de dood van het slachtoffer; wel kan het intreden van de dood als gevolg van het handelen van verdachte, redelijkerwijs aan hem worden toegerekend. Er is namelijk causaal verband tussen het slaan en de val van [slachtoffer] en zijn overlijden daarna.


Ten aanzien van het onder 2. en 3. tenlastegelegde.

4.1.6. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat op basis van het dossier wettig en overtuigd kan worden bewezen dat verdachte de aan hem tenlastegelegde mishandeling en bedreiging heeft begaan. De officier van justitie verwijst hiervoor naar de aangifte, de diverse verklaringen van de getuigen en naar het bij [persoon 1] geconstateerde letsel.


4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van het bewijs - zakelijk weergegeven - het volgende naar voren gebracht.

Ten aanzien van het onder 1. tenlastegelegde.

4.2.1. De bewezenverklaring volgens het openbaar ministerie is gebaseerd op een eenzijdige selectie van de vele uiteenlopende getuigenverklaringen. Die verklaringen bevatten voorts meningen en gissingen en zijn daarom in zoverre niet een weergave van hetgeen zij hebben waargenomen.

Alternatief scenario 4.2.2. Bovendien kan het scenario zoals dat door het openbaar ministerie is gepresenteerd niet wettig en overtuigend bewezen worden omdat op grond van de verklaring van verdachte in samenhang met de bevindingen van de deskundige Bloem niet uitgesloten kan worden dat sprake was van een onbewuste afweerreactie van verdachte, waarbij de door hem gegeven klap niet anders dan met een vlakke hand gegeven kan zijn, hetgeen meebrengt dat de dood van [slachtoffer] medisch noch juridisch aan verdachte kan worden toegerekend.

Kwalificatie 4.2.3. Het letsel van [slachtoffer] is, gelet op de wettelijke systematiek, niet aan te merken als zwaar lichamelijk letsel in de zin van de wet. De raadsman verwijst hieromtrent naar een arrest van het Hof Amsterdam met LJN nummer BJ 6701.

Opzet en Causaliteit 4.2.4. Anders dan door het openbaar ministerie is betoogd kan niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat verdachte opzet - al dan niet in voorwaardelijke zin - heeft gehad op zware mishandeling van het slachtoffer. Daartoe is van belang dat de klap niet van dien aard is geweest dat daarvan redelijkerwijs valt te verwachten dat ernstig letsel zou kunnen volgen. Bovendien ligt niet in de rede dat het slachtoffer als gevolg daarvan ten val zou komen, laat staan dat het letsel zoals dat is geconstateerd daarvan het gevolg zou kunnen zijn. Naar algemene ervaringsregels genomen, kan bovendien niet gezegd worden dat de kans dat een scheuring van de wervelslagaders het gevolg kan zijn van een klap zoals die door verdachte is gegeven - nog daargelaten dat het wetenschappelijk bewijs daarvoor naar de mening van de verdediging bepaald niet geleverd is - als aanmerkelijk kan worden aangemerkt. Daarbij dient ook in aanmerking genomen te worden dat het slachtoffer onder invloed van alcohol verkeerde en dat de invloed daarvan op het ten val komen na de klap van verdachte niet is in te schatten.

Verdachte dient derhalve vrijgesproken te worden van het hem onder 1 tenlastegelegde.


Ten aanzien van het onder 2. en 3. tenlastegelegde:

De verdediging heeft, zakelijk weergegeven, het volgende betoogd.

4.2.5. Er is in de onderhavige zaak geen aangifte gedaan van bedreiging. Daarnaast is door [persoon 1] geen concreet letsel opgegeven. Bij de aangifte zoals die in eerste instantie is gedaan kunnen bovendien de nodige vraagtekens worden gezet, nu de politie daarin kennelijk niet al hetgeen is verklaard heeft willen opnemen.

4.2.6. Ten aanzien van de uitlatingen van verdachte - als die al bewezen kunnen worden - bepleit de verdediging dat die niet van dien aard zijn dat daardoor in alle redelijkheid bij een gemiddelde burger de vrees kan zijn ontstaan voor een bedreiging tegen het leven gericht, zeker niet als men de omstandigheden van dit geval bekijkt, waarbij de vrouwen zichzelf niet onbetuigd hebben gelaten.

4.2.7. Er is in de onderhavige zaak sprake van een uit de hand gelopen ruzie waarbij over en weer is getrokken en geduwd. Er is geen sprake van mishandeling of bedreiging. Verdachte dient derhalve vrijgesproken te worden van het hem onder 2 en 3 tenlastegelegde.


4.3. Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1. tenlastegelegde

Selectie bewijs 4.3.1. De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van de diverse getuigen en van verdachte op bepaalde punten verschillen. De aard en locatie van het incident en het tijdstip waarop dat heeft plaatsgevonden maken overigens dat heel wel verklaarbaar is dat die verklaringen uiteenlopen. Het incident heeft zich binnen een tijdspanne van waarschijnlijk niet meer dan vijf minuten voltrokken; er bevonden zich in de directe omgeving veel mensen, die echter niet allemaal rechtstreeks zicht hadden op, of überhaupt oog hadden voor, het incident dat plaatsvond terwijl het nog donker was en alleen de straatverlichting brandde. Daarbij komt dat er naast taxichauffeurs en politieagenten, en een enkele andere getuige die ter plaatse aan het werk was, veel uitgaanspubliek was dat mogelijk in meerdere of mindere mate onder invloed was van alcohol. Dit kan verklaren dat over bepaalde onderdelen van het incident door slechts enkele getuigen iets wordt verklaard. Dat hoeft niet te betekenen dat die delen van het incident - zoals bijvoorbeeld het spugen door verdachte - niet hebben plaatsgevonden. De rechtbank heeft daarom bij de keuze en de waardering van alle verklaringen de nodige behoedzaamheid betracht. De rechtbank heeft bij de selectie en de waardering van het bewijs de volgende maatstaven aangelegd:

  • de positie van de getuige op het plein ten opzichte van de locatie van het incident,
  • de rol die de getuige heeft vervuld en
  • de hoedanigheid van de getuige, ten tijde van het onderhavige feit
  • de onderlinge samenhang van de verklaringen van de getuigen.

De rechtbank heeft bovendien telkens rekening gehouden met de hierboven beschreven omstandigheden ter plaatse.

4.3.2. Op grond van de aldus gekozen bewijsmiddelen stelt de rechtbank ten aanzien van feit 1 het volgende vast.

Op 5 juli 2009 omstreeks 04:22 uur ontstaat tussen verdachte en [slachtoffer] een conflict over de prijs van een taxirit. In eerste instantie worden over en weer verwensingen geuit. Een taxichauffeur komt tussen verdachte en [slachtoffer] in en probeert het conflict te sussen.vi Hij neemt verdachte ook mee, weg van het conflict. Ook [slachtoffer] verwijdert zich, maar komt vrijwel direct terug en laat zich beledigend uit naar verdachte. Twee getuigen hebben [slachtoffer] woorden horen zeggen in de trant van 'rot op naar je eigen land'.vii Verdachte zoekt vervolgens weer de confrontatie met [slachtoffer] op en spuugt in zijn richting.viii [slachtoffer] slaat met zijn platte rechterhand in het gezicht van verdachte, een vernederend bedoelde klap, die door een getuige een zogenaamde bitch slap wordt genoemd. Verdachte stapt hierop achteruitix en stompt vervolgens met zijn tot vuist gebalde linkerhand tegen het hoofd van [slachtoffer], tengevolge waarvan [slachtoffer] in elkaar zakt en met zijn hoofd op het geasfalteerde fietspad valt.x [slachtoffer] komt te overlijden.

4.3.3. De forensisch patholoog van het NFI heeft op 7 juli 2009 een voorlopig rapport uitgebracht. Daarbij is vastgesteld dat het geconstateerde hersenletsel het overlijden zonder meer kan verklaren.xi Blijkens het daarna uitgevoerde uitgebreide pathologisch onderzoek constateert de patholoog het volgende.xii Aan het achterhoofd van [slachtoffer] was uitgebreid letsel aan de huid met onderliggend een uitgebreide breuk van de schedel en schedelbasis, alle recent bij leven opgelopen door inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend geweld, zoals kan ontstaan door vallen en slaan. Naast de schedelbreuk en het huidletsel was er ook (links totale en rechts gedeeltelijke) verscheuring van twee belangrijke slagaders aan de rugzijde van de hals. Dit letsel is ontstaan ten gevolge van snelle draaiing en overstrekking van de bloedvaten ten gevolge van mechanisch trauma aan het hoofd. Ten gevolge van de schedelbreuk en de verscheuring van de wervelslagaders was er een bloeduitstorting onder de zachte hersenvliezen ontstaan (subarachnoïdale bloeding), welke tezamen met secundaire vochtstapeling in de hersenen tot een druktoename in de schedelholte heeft geleid. Dit heeft geleid tot herseninklemming, waarbij vitale delen van de hersenstam door het achterhoofdsgat naar het ruggenmerg toe gedrukt worden en aldaar bekneld raken. De bevindingen aan de hersenen en deze herseninklemming kunnen het overlijden zonder meer verklaren.xiii

Alternatief scenario 4.3.4. De rechtbank is van oordeel dat het alternatieve scenario, zoals dat door de deskundige Bloem is ontwikkeld niet wordt gestaafd. Dit scenario houdt in dat het niet anders kan dan dat verdachte reflexmatig met een vlakke hand heeft geslagen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de reconstructie die Bloem met verdachte in het Huis van Bewaring heeft uitgevoerd louter en alleen is gebaseerd op de bij die gelegenheid door verdachte tegenover de deskundige gegeven verklaring. Noch de verklaringen van de verdachte bij de politie, noch de overige bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden bieden steun aan dit scenario. Alleen al daarom is de rechtbank van oordeel dat deze alternatieve gang van zaken onaannemelijk is. Tussen de deskundigen Bloem en Van Dieën is ter terechtzitting gediscussieerd over de vraag wat onder "reflexmatig" ofwel door de middenhersenen geïnitieerde reactie moet worden verstaan, en over de vraag of daar in het onderhavige geval sprake van is geweest. Uit die discussie is naar voren gekomen dat het heel moeilijk is om uit te sluiten dat er als van zo'n reactie sprake is nog bijsturing van het handelen mogelijk is. Als gedrag wordt bijgestuurd vanuit de grote hersenen is dit niet meer aan te merken als zuiver reflexmatig handelen.xiv. De rechtbank komt derhalve tot de slotsom dat er onvoldoende grond is voor de conclusie dat het handelen van verdachte zuiver reflexmatig is geweest. Ook daarom acht de rechtbank het dermate onwaarschijnlijk dat dit scenario zich heeft voorgedaan dat het wel degelijk kan worden uitgesloten. De rechtbank verwerpt om al deze redenen het verweer van de raadsman dat dit scenario niet uitgesloten kan worden en daarom vrijspraak zou moeten volgen.

Kwalificatie van het letsel 4.3.5. De rechtbank is van oordeel dat een schedelbreuk en verscheuring van de wervelslagaders als zwaar lichamelijk letsel in de zin van de wet - artikel 82 wetboek van strafrecht - aangemerkt dienen te worden. Bij genoemd letsel ontbreekt immers het uitzicht op een volkomen genezing. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman dat geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel.


Opzet en causaliteit 4.3.6. Ten aanzien van de vraag of sprake is van opzet heeft de rechtbank het volgende overwogen. Bij de beoordeling van de aanmerkelijke kans dat een bepaald gevolg zich zal voordoen zijn algemene ervaringsregels maatgevend en niet de aard en de ernst van de litigieuze gevolgen. Voorts gaat het bij die beoordeling in zijn algemeenheid om de kans op een gevolg dat een schending oplevert van het door de betreffende strafbaarstelling beschermde belang, en niet om de kans op het daadwerkelijke gevolg. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door [slachtoffer] met een harde vuistslag tegen het hoofd te slaan, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Het is algemeen bekend dat het hoofd een kwetsbaar onderdeel van het lichaam is en dat de reële kans bestaat dat een harde, gerichte vuistslag op het hoofd tot zwaar lichamelijk letsel kan leiden. In hoeverre een mogelijk kickboksverleden daarbij een rol heeft gespeeld kan op basis van de bewijsmiddelen niet worden vastgesteld, zodat dit element geen rol speelt bij de beoordeling. 4.3.7. Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank eveneens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer tengevolge van de klap met zijn hoofd op het verharde wegdek zou vallen en als gevolg daarvan zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. De kans dat het slachtoffer zou vallen was bovendien groter nu [slachtoffer] onder invloed was van alcohol. Verdachte was zich hier, blijkens zijn verklaring bij de politie, terdege van bewust.xv De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman dat verdachte de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] niet heeft aanvaard.

4.3.8. De rechtbank stelt vast dat er geen aanwijzingen zijn dat het scheuren van de wervelslagaders buiten de klap of de val nog een andere oorzaak kan hebben. De deskundigen hebben ter terechtzitting bevestigd dat dergelijk letsel vrijwel onmiddellijk de dood tot gevolg heeft.xvi Ook om die reden is niet aannemelijk dat dit letsel reeds eerder zou kunnen zijn ontstaan. Daarnaast heeft de patholoog Van Driessche ook ter terechtzitting verklaard dat de betreffende slagaders voor het overige geen tekenen van zwakte vertoonden en dat een andere oorzaak voor dit letsel dan ook niet aannemelijk is. De rechtbank is van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer door hem te slaan, en ook dat voorwaardelijk opzet heeft gehad op het - als gevolg daarvan - ten val komen van het slachtoffer. Het ontstane letsel kan daarom aan verdachte worden toegerekend, ongeacht of dit door de klap of door de val is toegebracht. De vraag of het scheuren van de wervelslagaders door de klap kan zijn veroorzaakt behoeft daarom geen beantwoording. Ook het gevolg van het veroorzaakte letsel, de dood van het slachtoffer, kan, als rechtstreeks en vrijwel onmiddellijk intredend gevolg van de door hem gepleegde zware mishandeling, aan de verdachte worden toegerekend.

Gelet op bovenstaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde feit, zware mishandeling de dood ten gevolge hebbende.

Ten aanzien van het onder 2. en 3. tenlastegelegde.

4.3.9. Over het incident dat zich in 2007 afspeelde overweegt de rechtbank in aanvulling op de overweging onder 3.2. als volgt. De vrouwen spreken met de verdachte af dat hij hen wegbrengt voor een bedrag van 30 euro. [persoon 1] neemt vervolgens plaats op de bijrijderstoel en de andere twee vrouwen nemen achterin de taxi plaats. Aangekomen bij Jungfrau te Amstelveen stapt [persoon 3] uit. Verdachte rijdt niet verder en hij zegt tegen [persoon 2] en [persoon 1] dat is afgesproken hen af te zetten bij het VU-ziekenhuis. Verdachte is enkel bereid verder te rijden als een hoger bedrag wordt betaald. [persoon 2] stapt uit de taxi. [persoon 1] maakt aanstalten eveneens de taxi te verlaten. Hierop pakt verdachte de tas van [persoon 1] vast. Zowel verdachte als [persoon 1] trekken aan de tas. Vervolgens breekt het hengsel van de tas, waarop verdachte [persoon 1] bij haar linkerpols pakt. [persoon 2] probeert [persoon 1] tevergeefs los te maken uit de greep van verdachte. Verdachte houdt [persoon 1] ongeveer 10 minuten vast aan haar linkerpols. Uit de verklaring van [persoon 1] volgt dat op het moment dat [persoon 3] uitstapte in Amstelveen verdachte op een vervelende en agressieve manier begon over een andere afspraak en dat hij minstens 40 euro wilde hebben. [persoon 1] hoorde, op het moment dat verdachte haar tas vastgreep, verdachte zeggen dat hij zelf het geld zou pakken. [persoon 1] verklaart voorts dat verdachte haar pols op een stevige manier vastgreep. De paniek was op dat moment groot bij haar en tevens was zij bang dat verdachte haar zou slaan. [persoon 1] zag en voelde dat [persoon 2] haar - [persoon 1] - uit zijn - verdachte's - greep probeerde te bevrijden, hetgeen niet lukte. [persoon 1] zag dat verdachte met zijn rechterarm in haar richting uithaalde, waardoor zijn elleboog haar ter hoogte van haar hals / linkerschouder raakte. [persoon 1] verklaart dit als zeer agressief te hebben ervaren. [persoon 1] hoorde de chauffeur zeggen dat hij vaker vrouwen had geslagen en dat hij wel vaker had gezeten en dat hij dat als een vakantie had ervaren. [persoon 1] verklaart dat haar arm ten gevolge van het onderhavige feit blauw en gezwollen was en dat ze rode plekken in haar hals had.xvii

4.3.10. [persoon 2] ondersteunt de verklaring van [persoon 1] en verklaart dat op het moment dat de taxi stil bleef staan de boodschap van verdachte was dat zij weer moesten betalen en dat verdachte direct agressief werd. [persoon 2] is, op het moment dat verdachte de tas van [persoon 1] vasthad, eveneens op de bijrijderstoel gaan zitten. [persoon 2] verklaart dat zij bang was dat verdachte weg zou rijden met haar vriendin. [persoon 2] verklaart dat ook zij de verdachte heeft horen dreigen.xviii De verklaring van [persoon 1] wordt ten slotte ondersteund door de verklaring van [persoon 3]. [persoon 3] ziet dat verdachte de arm van [persoon 1] halverwege vasthoudt en zij hoort [persoon 1] herhaaldelijk roepen: "Laat mij los".xix

De rechtbank acht gezien het voorgaande ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 24 november 2007 [persoon 1] heeft mishandeld.

4.3.11. De rechtbank stelt ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde vast dat voor bedreiging geen aangifte is vereist. De rechtbank is - in tegenstelling tot de raadsman - van oordeel dat bij [persoon 1] gegronde vrees kon zijn ontstaan voor het door de verdachte toebrengen van lichamelijk letsel, gezien de aard van de bedreiging en de gegeven omstandigheden. De rechtbank acht eveneens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 24 november 2007 [persoon 1] heeft bedreigd met zware mishandeling.

De rechtbank acht gezien het voorgaande ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 24 november 2007 [persoon 1] heeft bedreigd.


5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 1. tenlastegelegde

op 05 juli 2009 te Amsterdam aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, een schedelbreuk en/of hersenletsel, heeft toegebracht, door opzettelijk die [slachtoffer], met kracht, met een tot vuist gebalde hand tegen het hoofd, te stompen, als gevolg waarvan de wervelslagaders van die [slachtoffer] zijn gescheurd hetgeen heeft geleid tot een ernstige, uitgesproken subarachnoïdale bloeding en/of die [slachtoffer] met zijn (achter)hoofd op het wegdek is gevallen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Ten aanzien van het onder 2. tenlastegelegde

op 24 november 2007 te Amstelveen opzettelijk mishandelend [persoon 1] met de hand aan de arm heeft vastgepakt en met de elleboog tegen de hals en linkerschouder heeft geslagen, waardoor voornoemde [persoon 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

Ten aanzien van het onder 3. tenlastegelegde

op 24 november 2007 te Amstelveen [persoon 1] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend eerst haar tas en daarna met kracht haar pols vastgepakt en daarbij voornoemde [persoon 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Je moet betalen" en/of "Ik heb in het verleden vaker vrouwen geslagen en ik ben daar niet vies van", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.


6. De strafbaarheid van de feiten

6.1. Het standpunt van de verdediging.

Door de raadsman is betoogd dat verdachte ten aanzien van het onder 1. tenlastegelegde uit noodweer heeft gehandeld en derhalve van alle rechtsvervolging ontslagen dient te worden. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat verdachte zich noodzakelijk heeft verdedigd tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer]. Uit de getuigenverklaringen blijkt dat [slachtoffer] -nadat zij eerder uit elkaar waren gehaald - weer naar verdachte is gelopen en hem een klap heeft gegeven. Uit schrik voor verder dreigend gevaar vanuit [slachtoffer] heeft verdachte in een directe reactie [slachtoffer] teruggeslagen. Ondersteunend hierbij is de analyse gegeven door Bloem en Holstege over het functioneren van de middenhersenreflex.

6.2. Het standpunt van het openbaar ministerie.

De officier van justitie heeft ter zitting aangevoerd dat het beroep op noodweer niet aannemelijk is geworden. Verdediging was niet noodzakelijk omdat de verdachte andere keuzes had. Verdachte had moeten en kunnen weglopen van de situatie. Het overgrote deel van de getuigen verklaart desgevraagd dat verdachte in de vrije ruimte stond. Uit de eerste verhoren van verdachte blijkt geenszins dat hij geen andere keuze had dan terugslaan. Voorts hebben collega-taxichauffeurs getracht in te grijpen door verdachte en [slachtoffer] uit elkaar te halen. Verdachte heeft derhalve gekozen voor de confrontatie en deze bovendien geïnitieerd door te spugen. Daarmee is sprake van culpa in causa aan de zijde van verdachte en komt hem ook om die reden geen beroep op noodweer toe.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op noodweer sprake moet zijn van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, waartegen verdediging noodzakelijk is. Voor zover de verdediging het beroep op noodweer heeft gestoeld op de hiervoor reeds weergegeven door de deskundige Bloem betrokken stelling, faalt dit beroep. De rechtbank heeft die stelling hierboven in 4.3.4 terzijde gesteld omdat zij niet aannemelijk is. Ook overigens is de rechtbank van oordeel dat het beroep op noodweer moet worden verworpen. Er was weliswaar sprake van agressie van het slachtoffer jegens verdachte en derhalve van een wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer], maar dat die aanranding en de dreiging van een vervolg zo hevig waren dat verdachte voor zijn leven moest vrezen is niet aannemelijk geworden. De reactie van verdachte voldoet naar het oordeel van de rechtbank niet aan de subsidiariteitseis en was daarom niet noodzakelijk. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte andere mogelijkheden had dan terugslaan. Er was voldoende ruimte om hem heen om weg te lopen. De stelling dat verdachte zich niet bewust was van die ruimte is niet aannemelijk geworden. Verdachte had ook de op het plein aanwezige collega-taxichauffeurs of de politie kunnen waarschuwen of in zijn auto kunnen gaan zitten. Volgens verdachte kon hij niet weglopen omdat hij zijn taxi met daarin zijn geld en telefoon niet onbeheerd kon achterlaten. Die stelling komt de rechtbank ongeloofwaardig voor in het licht van de door verdachte eveneens gestelde vrees voor zijn leven, veroorzaakt door de van het slachtoffer uitgaande agressie. Als verdachte zozeer vreesde voor zijn leven, valt niet in te zien dat hij dat leven in de waagschaal bleef stellen omdat hij zijn eigendommen niet onbeheerd achter wilde laten. Verdachte had dus verschillende andere mogelijkheden om op de agressie van [slachtoffer] te reageren. Er bestond naar oordeel van de rechtbank derhalve geen noodzaak zich op de gekozen wijze tegen het slachtoffer te verdedigen. Het beroep op noodweer faalt en daarmee ook het beroep op noodweerexces. Over noodweerexces merkt de rechtbank nog ten overvloede op dat niet aannemelijk is geworden dat de reactie van verdachte zou zijn ingegeven door een hevige gemoedsbeweging als gevolg van de van het slachtoffer uitgaande agressie.

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.


7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.


8. Motivering van de straffen en maatregelen

8.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem onder 1 primair, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van voorarrest. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat verdachte zich aan zeer ernstige feiten heeft schuldig gemaakt in zijn hoedanigheid als taxichauffeur en op een moment dat zich veel mensen in de nabijheid bevonden. De officier van justitie heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte niet heeft mee willen werken aan een psychologisch onderzoek door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich - subsidiair - op het standpunt dat de duur van het voorarrest, te weten negen maanden en zes dagen, een afdoende bestraffing vormt. De raadsman wijst hieromtrent op de afwezigheid van een strafblad, de persoonlijke situatie van verdachte en zijn gezin, het gegeven dat verdachte het taxibedrijf vaarwel heeft gezegd, alsmede de stigmatisering die hem ten deel is gevallen in de media en die hem de rest van zijn leven voorgoed zal blijven tekenen.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

8.3.1. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan het volgende laten meewegen. Verdachte heeft bij een in wezen onbetekenende ruzie, [slachtoffer] een vuistslag tegen het hoofd gegeven tengevolge waarvan [slachtoffer] in elkaar is gezakt, ten val is gekomen en is overleden. Verdachte heeft op deze wijze de dood veroorzaakt van een man die midden in het leven stond en daarmee ontzettend veel leed en ontsteltenis bij diens nabestaanden teweeggebracht. Het slachtoffer heeft een partner en drie dochters achtergelaten. [slachtoffer]s partner heeft ter zitting naar voren gebracht hoe hun levens sinds 5 juli 2009 zeer ingrijpend zijn veranderd en veranderd zullen blijven. De vele omstanders op de taxistandplaats zijn ongewild geconfronteerd met deze mishandeling en haar gevolgen. Voor de samenleving in het algemeen geldt dat deze misdrijven, zeker als deze worden begaan op een openbare plaats, als zeer bedreigend worden ervaren en gevoelens van onrust en onveiligheid veroorzaken.

8.3.2. Voorts heeft verdachte zich ook in 2007 schuldig gemaakt aan mishandeling en bedreiging met zware mishandeling. Blijkens de schriftelijke verklaring van [persoon 1] van 15 september 2009 ondervindt zij nog steeds nadelige psychische gevolgen van deze feiten.

Daarnaast zijn de volgende elementen van belang bij het vaststellen van een passende straf in deze zaak.

8.3.3. In de onderhavige zaak is geen sprake is van moord, noch van doodslag. Verdachte had immers geen opzet op de dood van [slachtoffer]. Het handelen van verdachte zoals hiervoor is bewezenverklaard is dan ook gekwalificeerd als zware mishandeling de dood ten gevolge hebbende. Voor de levensdelicten moord en doodslag worden meestal gevangenisstraffen opgelegd van vele jaren, in ieder geval in de meeste gevallen boven 5 jaar. Bij zaken waar sprake was van zware mishandeling met de dood als gevolg worden doorgaans veel lagere gevangenisstraffen opgelegd, die voor wat betreft de lengte variëren van enkele maanden tot een paar jaar, al naar gelang de omstandigheden van het geval.

8.3.4. In deze zaak vormt een belangrijke omstandigheid dat verdachte de onderhavige feiten heeft gepleegd in zijn hoedanigheid van taxichauffeur. Het beroep van taxichauffeur is dienstverlenend van aard. Van een taxichauffeur mag verwacht worden dat deze conflicten uit de weg gaat. De rechtbank realiseert zich dat taxichauffeurs soms geconfronteerd worden met lastig of vervelend gedrag van klanten, waar ook in deze zaak sprake van is geweest. Toch mag worden verwacht dat taxichauffeurs conflicten met klanten op correcte, niet gewelddadige wijze oplossen. Verdachte heeft dat tot twee keer toe niet gedaan, met alle gevolgen van dien. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

8.3.5. De rechtbank heeft kennis genomen van het uittreksel van het documentatieregister waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten met justitie in aanraking is gekomen. In zijn algemeenheid is dat een omstandigheid die kan leiden tot oplegging van een lagere straf dan aan een recidivist wordt opgelegd, of tot oplegging van een deels voorwaardelijke straf. In het onderhavige geval ziet de rechtbank daarvan af, omdat verdachte in dit vonnis voor twee gewelddadige strafbare feiten wordt veroordeeld.

8.3.6. De rechtbank weegt wel ten voordele van verdachte mee dat zij – anders dan de officier van justitie – van oordeel is dat er onvoldoende grond is om de klap van verdachte aan te merken als een door een geoefend kickbokser uitgevoerde vuiststoot.

8.3.7. De rechtbank weegt voorts mee dat verdachte te maken heeft gehad met grote media-aandacht, waarbij hij met naam en toenaam is vermeld. Verdachte zal eventuele gevolgen van die aandacht ook na afloop van deze strafzaak blijven ondervinden.

8.3.8. Tenslotte weegt de rechtbank mee dat, hoewel het tragische gevolg zonder meer aan verdachte kan worden toegerekend, ook onderkend moet worden dat de dood van het slachtoffer het resultaat is van een noodlottige reeks van gebeurtenissen.

8.3.9. De rechtbank komt tot een lagere straf dan de eis van de officier van justitie gezien bovengenoemde overwegingen.


8.4. De vordering van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

8.4.1. De benadeelde partij [persoon 4] heeft een vordering tot vergoeding van geleden materiële schade ingediend voor een totaalbedrag van € 6541,17.

8.4.2. De officier van justitie heeft gevorderd dat de gehele vordering wordt toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente met daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.4.3. De raadsman heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen.

8.4.4. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij [persoon 4] van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezengeachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden.

8.4.5. De rechtbank schat de door de benadeelde partij geleden materiële schade voorshands op € 6541,17 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2009 tot het moment van betaling. De vordering zal daarom tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van deze uitspraak nog zal maken, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

8.4.6. In het belang van [persoon 4] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

8.4.7. De benadeelde partij [persoon 1] heeft een vordering tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade ingediend voor een totaalbedrag van € 614,00

8.4.8. De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering tot een bedrag van € 250,00 wordt toegewezen met daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en voor het overige niet ontvankelijk te verklaren.

8.4.9. De raadsman heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen.

8.4.10. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2 en 3 bewezengeachte, rechtstreeks schade heeft geleden.

8.4.11. De rechtbank schat de door de benadeelde partij geleden immateriële schade voorshands op € 250,00. De vordering zal daarom tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van deze uitspraak nog zal maken. Het resterende deel van de vordering van de benadeelde partij is niet van zo eenvoudige aard dat dit zich voor behandeling in dit strafgeding leent. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8.4.12. In het belang van [persoon 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.


9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 57, 285, 300, 302 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.


10. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1. primair bewezenverklaarde

Zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft

Ten aanzien van het onder 2. bewezenverklaarde

Mishandeling

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde

Bedreiging met zware mishandeling

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 4], wonende op het adres [adres] toe tot een bedrag van € 6541,17 (zesduizendvijfhonderdeenenveertig euro en zeventien eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2009 tot het moment van betaling.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 4] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [persoon 4], te betalen de som van € 6541,17 (zesduizendvijfhonderdeenenveertig euro en zeventien eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2009 tot het moment van betaling, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 67 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen jegens [persoon 4], daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 1], wonende op het adres [adres] toe tot een bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) immateriële schadevergoeding.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 1] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [persoon 1], te betalen de som van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 5 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen jegens [persoon 1], daarmee de andere is vervallen.


Dit vonnis is gewezen door mr. A.D. Reiling, voorzitter, mrs. S.E. Sijsma en F.P. Geelhoed, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. Manik, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 april 2010.


De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.