weebly reliable statistics
Uitspraak Ton Olsman - Moordzaken
Uitspraak Ton Olsman

Uit Moordzaken

Ga naar: navigatie, zoeken

Uitspraak RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr.  : 07.650348-10 Uitspraak: 17 maart 2011

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte), geboren op (geboortejaar), wonende te (adres), thans verblijvende (verblijfplaats)

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2011 te Zwolle. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. S.J.M. Masselink, advocaat te Almelo.

De officier van justitie, mr. A.E.M. Doedens, heeft ter terechtzitting gevorderd: - verdachte vrij te spreken van het onder 3 primair ten laste gelegde; - verdachte te veroordelen ter zake het onder 1 primair, 2 primair en 3 subsidiair ten laste gelegde tot: • een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht; • een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van 10 jaren; - toewijzing van de vordering van de benadeelde partij (slachtoffer 2) tot een bedrag van € 442,66, alsmede oplegging van de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van dit slachtoffer tot voornoemd bedrag.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 21 november 2010 te Bergentheim, gemeente Hardenberg opzettelijk (slachtoffer) van het leven heeft beroofd, immers is/heeft verdachte, - na het nuttigen van een (grote) hoeveelheid alcohol (van 650 ug/l) en/of - met een (veel) (te) hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, althans een aanmerkelijk hogere snelheid dan de aldaar geldende maximum snelheid van 60 km/u en/of (daarbij) - een voor hem, verdachte, rijdende (groep) fietser(s) ingehaald terwijl hem, verdachte, op korte afstand een andere (personen)auto tegemoet kwam rijden en/of - onvoldoende afstand houdend ten opzichte van de op de (weg) (een) zich bevindende overige weggebruiker(s/)fietser(s), met dat opzet als bestuurder van een (personen)auto, daarmee rijdende over de weg, de (weg), een in dezelfde richting rijdende fiets(er) ((slachtoffer)) (van achter) aangereden (waarna die (slachtoffer) in het water is terechtgekomen), tengevolge waarvan voornoemde (slachtoffer) (door verdrinking) is overleden;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 21 november 2010 te Bergentheim, gemeente Hardenberg als verkeersdeelnemer), namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de (weg), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, - met dat motorrijtuig te rijden met een (veel) (te) hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse althans een aanmerkelijk hogere snelheid dan de aldaar geldende maximum snelheid van 60 km/u en/of (daarbij) - onvoldoende afstand te houden ten opzichte van de op de (weg) zich bevindende overige weggebruikers en/of - een voor hem, verdachte, rijdende (groep) fietser(s) in te halen terwijl hem, verdachte, op korte afstand een andere (personen)auto tegemoet kwam rijden en/of - bij het van achteren naderen van de op die (weg) rijdende fietser niet voldoende naar links uit te wijken en/of snelheid te minderen waardoor hij, verdachte, op/tegen die fietser ((slachtoffer)) is gebotst en/of gereden (waarna die fietser in het water is terechtgekomen), waardoor een ander (genaamd (slachtoffer)) werd gedood, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 21 november 2010 te Bergentheim, gemeente Hardenberg als bestuurder van een voertuig, (personen)auto (merk xxx) dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 650 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

en

hij op of omstreeks 21 november 2010 te Bergentheim, gemeente Hardenberg als bestuurder van een voertuig ((personen)auto (merk xxx), daarmee rijdende op de weg, (weg), - met dat motorrijtuig heeft gereden met een (veel) (te) hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse althans een aanmerkelijk hogere snelheid dan de aldaar geldende maximum snelheid van 60 km/u en/of (daarbij) - onvoldoende afstand heeft gehouden ten opzichte van de op de (weg) zich bevindende overige weggebruikers en/of - een voor hem, verdachte, rijdende (groep) fietser(s) heeft ingehaald terwijl hem, verdachte, op korte afstand een andere (personen)auto tegemoet kwam rijden en/of - bij het van achteren naderen van de op die (weg) rijdende fietser niet voldoende naar links uit te wijken en/of snelheid te minderen waardoor hij, verdachte, op/tegen een fietser ((slachtoffer)) is gebotst en/of gereden (waarna die fietser in het water is terechtgekomen), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2. hij op of omstreeks 21 november 2010 te Bergentheim, gemeente Hardenberg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (slachtoffer 3) van het leven te beroven, met dat opzet als bestuurder van een (personen)auto, daarmee rijdende over de weg, de (weg), een zich op die (weg) fietsende fietser ((slachtoffer 3)) heeft/is aangereden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid immers heeft/is verdachte, met zijn (personen)auto op die (weg) gereden na het nuttigen van een (grote) hoeveelheid alcohol (van 650 ug/l) en/of (daarbij) een voor hem, verdachte, rijdende (groep) fietser(s) ingehaald terwijl hem, verdachte, op korte afstand een andere (personen)auto tegemoet kwam rijden en/of met een (veel) (te) hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, althans een aanmerkelijk hogere snelheid dan de aldaar geldende maximum snelheid van 60 km/u en/of (daarbij) onvoldoende afstand gehouden ten opzichte van de op de (weg) (een) zich bevindende overige weggebruiker

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 21 november 2010 te Bergentheim, gemeente Hardenberg, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, (de (weg)), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, - met dat motorrijtuig te rijden met een (veel) (te) hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse althans een aanmerkelijk hogere snelheid dan de aldaar geldende maximum snelheid van 60 km/u en/of (daarbij) - onvoldoende afstand te houden ten opzichte van de op de (weg) zich bevindende overige weggebruikers en/of - een voor hem, verdachte, rijdende (groep) fietser(s) in te halen terwijl hem, verdachte, op korte afstand een andere (personen)auto tegemoet kwam rijden en/of - bij het van achteren naderen van de op die (weg) rijdende fietser niet voldoende naar links uit te wijken en/of snelheid te minderen waardoor hij, verdachte, op/tegen die fietser ((slachtoffer 3)) is gebotst en/of gereden, waardoor een ander (genaamd (slachtoffer 3)) zwaar lichamelijk letsel, te weten (onder meer) een hersenbloeding en/of een gebroken rib, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 21 november 2010 te Bergentheim, gemeente Hardenberg als bestuurder van een voertuig, (personen)auto (merk xxx), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 650 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

en

hij op of omstreeks 21 november 2010 te Bergentheim, gemeente Hardenberg als bestuurder van een voertuig ((personen)auto (merk xxx) daarmee rijdende op de weg, (weg), - met dat motorrijtuig heeft gereden met een (veel) (te) hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse althans een aanmerkelijk hogere snelheid dan de aldaar geldende maximum snelheid van 60 km/u en/of (daarbij) - onvoldoende afstand heeft gehouden ten opzichte van de op de (weg) zich bevindende overige weggebruikers en/of - een voor hem, verdachte, rijdende (groep) fietser(s) heeft ingehaald terwijl hem, verdachte, op korte afstand een andere (personen)auto tegemoet kwam rijden en/of - bij het van achteren naderen van de op die (weg) rijdende fietser niet voldoende naar links uit te wijken en/of snelheid te minderen waardoor hij, verdachte, op/tegen een fietser ((slachtoffer 3)) is gebotst en/of gereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

3. hij op of omstreeks 21 november 2010 te Bergentheim, gemeente Hardenberg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (slachtoffer 2) van het leven te beroven, met dat opzet met zijn, verdachtes (personen) auto, met grote snelheid, terwijl zijn, verdachtes, auto (in ernstige mate) was beschadigd als gevolg van een eerdere aanrijding, onverhoeds en/of met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse achteruit is gereden naar/in de richting van die (slachtoffer 2), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 21 november 2010 te Bergentheim, gemeente Hardenberg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd (slachtoffer 2), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met zijn, verdachtes auto, met grote snelheid, terwijl zijn, verdachtes, (personen)auto (in ernstige mate) was beschadigd als gevolg van een eerdere aanrijding, onverhoeds en/of met een (te) hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse achteruit is gereden naar/in de richting van die (slachtoffer 2), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 21 november 2010 te Bergentheim, gemeente Hardenberg als bestuurder van een voertuig ((personen)auto (merk xxx) daarmee rijdende op de weg, (weg), met zijn, verdachtes (personen) auto, met grote snelheid, terwijl zijn, verdachtes, auto (in ernstige mate) was beschadigd als gevolg van een eerdere aanrijding, onverhoeds en/of met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse achteruit is gereden naar/in de richting van die (slachtoffer 2), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

BEWIJS

De verdachte dient van het onder 3 primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Ten aanzien van het onder 1 primair, 2 primair en 3 subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood en zwaar lichamelijk letsel – is aanwezig indien de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Daartoe is vereist dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden en die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard, dat wil zeggen op de koop toe heeft genomen. De aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer zijn gericht op een bepaald gevolg, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard.

Naar algemene ervaringsregels bestaat een aanmerkelijke kans op een aanrijding met een dodelijke afloop indien een bestuurder van een fiets, zijnde een onbeschermde verkeersdeelnemer, door een auto met een hoge snelheid wordt aangereden. Eveneens bestaat naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans dat een dergelijke aanrijding plaatsvindt als de bestuurder van de auto een aanzienlijke hoeveelheid alcohol heeft genuttigd en daarbij met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse rijdt.

In onderhavige zaak gaat de rechtbank uit van de navolgende feiten en omstandigheden. Uit het proces-verbaal misdrijf d.d. 23 november 2010 blijkt dat het onderzoeksresultaat van de ademanalyse van verdachtes adem 650 ug/l bedroeg. Verdachte heeft ook bekend dat hij op de bewuste avond ongeveer 7 biertjes en een Cola-Beerenburg heeft gedronken. Voorts volgt uit diverse getuigenverklaringen dat verdachte harder heeft gereden dan de op de plaats van het ongeval geldende maximum snelheid van 60 kilometer per uur. De rechtbank acht hierbij de verklaringen van (getuige 1), (getuige 2), (slachtoffer 2), (getuige 3) en (getuige 4) van belang.

Verdachte stelt de slachtoffers voorafgaand aan en tijdens de aanrijding niet te hebben gezien. Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte hen echter wel degelijk kunnen zien.

Daarbij acht de rechtbank onder meer redengevend dat uit het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse blijkt dat het op het moment van het ongeval droog en helder weer was en dat de straatverlichting in werking was. Voorts is het aannemelijk dat de achterlichten van (slachtoffer) en (slachtoffer 3) brandden. De verklaringen van de getuigen (getuige 1), (getuige 2) en (slachtoffer 2) zijn hiervoor redengevend.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat verdachte de aanmerkelijke kans dat hij (een) zwakke verkeersdeelnemer(s) zou aanrijden met als mogelijk gevolg de dood van die verkeersdeelnemer(s), heeft aanvaard en op de koop heeft toegenomen toen hij op 21 november 2010 plaats nam in zijn auto nadat hij een grote hoeveelheid alcohol had genuttigd en met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse reed. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verdachte de aanmerkelijke kans dat hij een verkeersdeelnemer zou aanrijden met als mogelijk gevolg zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard en op de koop heeft toegenomen door na de eerdere aanrijding met een (te) hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse achteruit te rijden in de richting van (slachtoffer 2). Eén en ander brengt met zich mee dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn handelen de dood van (slachtoffer) tot gevolg zou hebben en de dood van (slachtoffer 3) tot gevolg zou kunnen hebben. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn handelen zwaar lichamelijk letsel van (slachtoffer 2) tot gevolg zou kunnen hebben. Verdachte heeft derhalve opzettelijk gehandeld.

De raadsman van verdachte heeft opgemerkt dat de doodsoorzaak van (slachtoffer) (verdrinking) in redelijkheid niet aan verdachte kan worden toegerekend. De rechtbank is van oordeel dat de dood van (slachtoffer) ingevolge de leer van de redelijke toerekening wel degelijk aan verdachte is toe te rekenen. (slachtoffer) is ten gevolge van een gedraging van de verdachte, te weten de aanrijding in het kanaal terechtgekomen. Op grond van de medische rapportage moet aangenomen worden dat hij, door de klap van het ongeval, niet op eigen kracht uit het water heeft kunnen komen, waarna hij is verdronken. Deze gebeurtenissen staan in zo nauw verband met elkaar en zijn elkaar zo snel opgevolgd dat de dood van (slachtoffer) in redelijkheid aan de gedraging van verdachte dient te worden toegerekend. Daaraan doet niet af dat, indien omstanders of hulpverleners eerder hadden bemerkt dat (slachtoffer) in het kanaal was terechtgekomen hij mogelijkerwijze nog had kunnen worden gered.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair, 2 primair en 3 subsidiair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1. hij op 21 november 2010 te Bergentheim, gemeente Hardenberg opzettelijk (slachtoffer) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte, - na het nuttigen van een (grote) hoeveelheid alcohol (van 650 ug/l) en - met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, - een voor hem, verdachte, rijdende groep fietsers ingehaald terwijl hem, verdachte, op korte afstand een andere (personen)auto tegemoet kwam rijden en - onvoldoende afstand houdend ten opzichte van de op de (weg) zich bevindende overige weggebruiker(s/)fietser(s), met dat opzet als bestuurder van een (personen)auto, daarmee rijdende over de weg, de (weg), een in dezelfde richting rijdende fietser ((slachtoffer)) van achter aangereden waarna die (slachtoffer) in het water is terechtgekomen, tengevolge waarvan voornoemde (slachtoffer) (door verdrinking) is overleden;

2. hij op 21 november 2010 te Bergentheim, gemeente Hardenberg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (slachtoffer 3) van het leven te beroven, met dat opzet als bestuurder van een (personen)auto, daarmee rijdende over de weg, de (weg), een zich op die (weg) fietsende fietser ((slachtoffer 3)) heeft aangereden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid immers heeft verdachte, met zijn (personen)auto op die (weg) gereden na het nuttigen van een (grote) hoeveelheid alcohol (van 650 ug/l) en daarbij een voor hem, verdachte, rijdende groep fietsers ingehaald terwijl hem, verdachte, op korte afstand een andere (personen)auto tegemoet kwam rijden en met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, en (daarbij) onvoldoende afstand gehouden ten opzichte van de op de (weg) zich bevindende overige weggebruiker;

3. hij op 21 november 2010 te Bergentheim, gemeente Hardenberg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd (slachtoffer 2), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met zijn, verdachtes auto, met grote snelheid, terwijl zijn, verdachtes, (personen)auto (in ernstige mate) was beschadigd als gevolg van een eerdere aanrijding, onverhoeds en met een (te) hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse achteruit is gereden in de richting van die (slachtoffer 2), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Van het onder 1 primair, 2 primair en 3 subsidiair meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Feit 1 primair: Doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2 primair: Poging tot doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 287 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 3 subsidiair: Poging tot zware mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 302 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.


OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft door zijn onverantwoordelijk rijgedrag aan de (families van de) slachtoffers groot en onherstelbaar leed toegebracht, hetgeen ook ter terechtzitting is gebleken uit hetgeen de vader van (slachtoffer) en (slachtoffer 3) beschreven bij hun spreekrecht. Twee jonge mensen zijn het slachtoffer geworden van dit rijgedrag, waarbij de een het leven heeft verloren en de ander ernstig letsel heeft opgelopen. De familie van (slachtoffer) en (slachtoffer 3) en zijn familie zullen moeten leren leven met de gedachte dat het leven nooit meer hetzelfde zal zijn. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij op de bewuste avond een auto is gaan besturen, wetende dat hij stevig alcohol had gedronken en daarbij harder heeft gereden dan een veilig verkeer ter plaatse toeliet. Dit terwijl hij reeds eerder een transactie heeft betaald wegens het rijden onder invloed van alcohol (hetgeen blijkt uit het op zijn naam gesteld uittreksel justitiële documentatie d.d. 26 januari 2011) en diverse malen een transactie heeft betaald voor te hard rijden (hetgeen blijkt uit een op zijn naam gesteld overzicht van het CJIB te Leeuwarden).

De rechtbank is van oordeel dat bij ernstige feiten als de onderhavige enkel een forse onvoorwaardelijke vrijheidsstraf past, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijk verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

De bewezen verklaarde feiten zijn, in combinatie met het verkeersgedrag van de verdachte in het (recente) verleden, voor de rechtbank reden om naast een gevangenisstraf een ontzegging van de rijbevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen op te leggen. De duur daarvan zal de rechtbank in plaats van de door de Officier van Justitie gevorderde 10 jaren bepalen op 5 jaren, nu die ontzegging niet geëffectueerd wordt, zolang de verdachte rechtens van zijn vrijheid is beroofd, en daarnaast om de verdachte niet elk perspectief op het verkrijgen van die rijbevoegdheid in de toekomst te ontnemen.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met: - een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 26 januari 2011; - een de verdachte betreffend reclasseringsadvies d.d. 22 februari 2011, uitgebracht door (naam), reclasseringswerker van Reclassering Nederland; - een de verdachte betreffend psychologisch rapport d.d. 28 februari 2011, uitgebracht door drs. J.H.A.M. Kobussen, klinisch psycholoog-psychotherapeut; - de overige stukken van het de verdachte betreffende persoonsdossier.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 27, 36f, 55, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 179 en 180 van de Wegenverkeerswet 1994.


Benadeelde partij

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij (slachtoffer 2) (gemachtigde (slachtoffer 2)) rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder 3 bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is, gelet op de inhoud van het “voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces” en gelet op hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 442,66, vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 442,66 ten behoeve van het slachtoffer (slachtoffer 2).

BESLISSING

Ten aanzien van de tenlastelegging

Het onder 3 primair ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 1 primair, 2 primair en 3 subsidiair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 primair, 2 primair en 3 subsidiair meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

De rechtbank ontzegt verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van 5 jaren.

De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 voor het tijdstip waarop de ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ingaat ingevorderd en ingehouden is geweest, zal op de duur van die ontzegging geheel in mindering worden gebracht.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij (slachtoffer 2) (gemachtigde (slachtoffer 2)), wonende te (adres) van een bedrag van € 442,66 (zegge: vierhonderdtweeënveertig euro en zesenzestig eurocent) vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans onder 3 bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 21 november 2010, tot die van de voldoening. De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 442,66, ten behoeve van het slachtoffer (slachtoffer 2), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat inzoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door mr. G.P. Nieuwenhuis, voorzitter, mrs. F. van der Maden en S.M. Milani, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C. van Druten als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2011.