weebly reliable statistics
Uitspraak Hassan Bouzerda - Moordzaken
Uitspraak Hassan Bouzerda

Uit Moordzaken

Versie door Admin (Overleg | bijdragen) op 26 feb 2012 om 23:59

(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken

Uitspraak RECHTBANK TE UTRECHT

Parketnummer  : 16/617649-05 Datum uitspraak: 23 maart 2006 Tegenspraak Raadsman: mr. R.A. van der Velde


VERKORT VONNIS

van de rechtbank te Utrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

(verdachte)


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 en 9 maart 2006.


De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Op vordering van de officier van justitie is de nadere omschrijving tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering ter terechtzitting van 2 maart 2006 toegestaan. Van de dagvaarding en van de vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging zijn kopieën als bijlagen I en II aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze bijlagen geldt als hier ingevoegd.

Algemene overwegingen

Deze strafzaak betreft de gewelddadige confrontatie tussen leden van de families M. en B., op 24 maart 2005 te Zeist, op de parkeerplaats van het winkelcentrum De Clomp. Het verdient aandacht dat de rechtbank na bestudering van de strafdossiers en uit het onderzoek ter terechtzitting niet in staat is gebleken om het verloop van de gewelddadigheden op 24 maart 2005 volledig te reconstrueren. Leden van de beide families hebben niet eenduidig verklaard, dan wel pas verklaard nadat zij het volledige dossier tot hun beschikking hadden. Tevens is in hun verklaringen de eigen rol vaak geminimaliseerd en de rol van de andere familie uitvergroot. De rechtbank heeft dan ook met name betekenis toegekend aan diverse verklaringen van onpartijdige getuigen en aan het voorhanden zijnde technische bewijs, te weten de beelden van een bewakingscamera die opgesteld stond bij de ingang van de bevoorradingsruimte van een supermarkt. Deze camera heeft het parkeerterrein De Clomp en wat zich daar afspeelde voor een deel in beeld gebracht. Van een groot aantal momenten zijn door de politie fotoprints gemaakt met een tijdsaanduiding en die zijn voorzien van een nummer in het dossier gevoegd. Om deze beelden in volle omvang en volledig te kunnen bestuderen en beoordelen is de videofilm ter terechtzitting beeld voor beeld getoond, besproken en ter discussie gesteld. De rechtbank heeft in het navolgende als haar eigen waarneming mede gebruik gemaakt van deze bewegende beelden.

Mede ter beoordeling van ter zitting gedane beroepen op een aanwezig geachte strafuitsluitingsgrond acht de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden betreffende de confrontatie op 24 maart 2005 te Zeist van belang.

Voorgeschiedenis

Uit de verklaringen van leden van de beide families, van vele getuigen en uit de processen-verbaal van de politie blijkt dat de verhouding tussen de beide families -voormalige buren van elkaar- jarenlang goed is geweest, maar in de loop der tijd ernstig is verslechterd. Tal van incidenten waren het gevolg met als belangrijk incident in de voorgeschiedenis van deze zaak een vechtpartij tussen leden van de beide families in mei 2004, waarbij vader M. verwondingen heeft opgelopen, hem toegebracht door leden van de familie B. Verdachte wordt als belangrijkste agressor bij dit treffen veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Op 7 maart 2005 komt hij vrij.

Vanaf mei 2004 gonst het in de Marokkaanse gemeenschap te Zeist van een voorgenomen wraakactie van de familie M. op de familie B., met name op slachtoffer 1. Men zou wachten tot verdachte weer vrij zou zijn. Een aantal getuigen heeft een en ander niet alleen van horen zeggen, maar ook zelf (doods)bedreigingen horen uiten door leden van de familie M. jegens leden van de familie B., dan wel slachtoffer 1. (getuige 1, getuige 2, getuige 3, getuige 4, getuige 5).

De politie te Zeist is van de problemen tussen de families op de hoogte. Sinds mei 2004 hebben zij circa 12 meldingen, respectievelijk aangiften van de familie B. geregistreerd terzake bedreigingen, intimidaties etc. van de kant van de familie M. jegens hen. Ook wordt er tweemaal een aangifte gedaan tegen de familie B. door de familie M., die beide keren wordt geseponeerd.

De politie relateert in haar proces-verbaal nr. PL0920/05-005144Z1, blz. 2148, d.d. 27 februari 2006 dat de strafbare gedragingen van de familie B. steeds een reactie waren op incidenten veroorzaakt door de familie M.

Voorts bevinden zich vele verklaringen in het dossier van (vooraanstaande) leden van de moskee over tenminste vier ondernomen verzoeningspogingen in de richting van de familie M., die niets hebben opgeleverd (getuige 6, getuige 7, getuige 8, getuige 9, getuige 10, getuige 3).

De geruchten en incidenten nemen toe als verdachte uit de detentie is ontslagen begin maart 2005.

Uit het dossier komt naar voren dat op 22 maart 2005 de rode Renault Laguna, de auto van medeverdachte 1, met daarin vermoedelijk alle broers M. vanaf een bushalte in Zeist achter slachtoffer 2 aanrijdt, die zich hierdoor zeer bedreigd voelt en de moskee in vlucht. Dit wordt bevestigd door de getuige 11 en indirect door de getuige 12. Slachtoffer 2 wil van dit incident vervolgens aangifte doen en wordt voor het politiebureau opnieuw geconfronteerd met de rode Renault Laguna. Getuige 1 en slachtoffer 2 zelf hebben beiden aangegeven dat verdachte als bestuurder in deze auto zat en dat hij slachtoffer 2 met de dood heeft bedreigd.

Voorts heeft slachtoffer 3 op 23 maart 2005, de dag voorafgaand aan de tenlastegelegde feiten, aangifte gedaan van bedreiging met geweld door de vijf broers M., die zich allemaal die dag op het winkelcentrum De Clomp in Zeist bevonden. De getuige 13 heeft in dat kader verklaard dat medeverdachte 1 hem op die bewuste dag vroeg of hij de familie B. had gezien. Kort daarna ziet hij alle vijf broers M. in het winkelcentrum, hetgeen hem vreemd voorkomt omdat ze nooit of bijna nooit op het winkelcentrum zijn. Ook de getuige 1 bevestigt de aanwezigheid van alle broers M. op het winkelcentrum De Clomp op 23 maart 2005. Ook hij heeft verklaard dat dit vreemd was, omdat zij nooit samen op het winkelcentrum kwamen. Tevens heeft getuige 14 aangegeven de broers M. op 21, 22, 23 en 24 maart 2005 op het winkelcentrum De Clomp te hebben gezien.

De gebeurtenissen op 24 maart 2005

Uitgaande van -onder meer- de videobeelden gemaakt door de bewakingscamera van de supermarkt Edah op winkelcentrum De Clomp te Zeist stelt de rechtbank het volgende vast. Met betrekking tot de videobeelden wordt opgemerkt dat de klok van deze camera blijkens proces-verbaal 0507061616 d.d. 7 juli 2005 twee minuten en 33 seconden voorliep op de tijdmelding van KPN. De rechtbank zal in het hierna volgende echter de door de camera geregistreerde tijd hanteren.

Op 24 maart 2005 omstreeks 16.31.49 uur (foto 0) zien leden van de familie B. na het verlaten van de moskee een auto van de familie M., Opel Astra, bestuurd door medeverdachte 3 met nog één of twee inzittenden rijden over het parkeerterrein van het winkelcentrum De Clomp. Gelet op de activiteiten van de familie M. in de voorgaande dagen vrezen zij voor het leven van de bij hen staande slachtoffer 1 en één of twee zoons B. rennen achter de Opel aan en jagen de auto weg door een steen of stenen te gooien en door te dreigen met een stok. Slachtoffer 2 belt meteen met de politie die zegt te zullen komen kijken. Medeverdachte 3 belt meteen met zijn broers. Kort daarop zijn de vijf broers M. met een aantal auto's bijeen in de Gruttolaan. Er liggen of komen in ieder geval twee slagwapens in de auto's (getuige 15 en medeverdachte 3).

Vervolgens om 16.40.43 uur rijden (onder meer foto 8 en diverse getuigenverklaringen) twee auto's (een BMW Cabrio en een Seat Leon) met daarin de gebroeders M. het parkeerterrein van De Clomp op. Getuigen spreken over één of meer auto's die hard (één getuige spreekt over "scheuren" en één getuige spreekt over een auto die hard reed, tussen de 50 en 70 kilometer per uur) de parkeerplaats op komen rijden (getuige 16, getuige 17) en plotseling remmen (getuige 8). Voorts ziet één getuige (getuige 18) een auto die sneller dan gebruikelijk de parkeerplaats op rijdt. Deze getuige ziet dat alle vier de portieren van die auto nagenoeg tegelijkertijd snel open vliegen. De BMW Cabrio wordt dwars over een aantal parkeervakken neergezet. De autosleutels blijven in het contactslot (medeverdachte 3). In ieder geval de broers medeverdachte 2, verdachte en medeverdachte 3 springen uit deze auto's en hanteren aldus vele getuigen (onder meer medeverdachte 3, getuige 19, getuige 16) slagwapens. Zij rennen meteen af op de leden van de familie B. en er ontstaat een gevecht tussen hen. Ook de familie B. laat zich niet onbetuigd. Het is aannemelijk dat ook zij slagwapens hebben gehanteerd.

De rechtbank heeft onvoldoende duidelijk kunnen vaststellen wie van de vechtenden wanneer welk slagwapen heeft gebruikt.

Als dit gevecht aan de gang is verschijnt 17 seconden na het aanrijden van de eerste auto's de donkerrode Renault Laguna om 16.41.00 uur in beeld, bestuurd door medeverdachte 1 (foto 11 en 12). Deze auto draait over parkeervakken heen tussen geparkeerde auto's door richting de vechtenden en rijdt hierop in. Tenminste twee B's (slachtoffer 1 en slachtoffer 3) worden kort na elkaar door de Renault geraakt, dan wel geschept. De foto's 13 en 17 (16.41.02 en 16.41.04 uur) tonen dat kort voor deze aanrijdingen een man met de witte broek (medeverdachte 2) overeind staat. Het onderlinge gevecht gaat door en verplaatst zich enigszins buiten het zicht van de camera.

In deze hektiek heeft verdachte slachtoffer 1 ter hoogte van zijn schouder en slachtoffer 3 tweemaal in zijn rug met een mes gestoken. Slachtoffer 1 is meteen hevig bloedend op straat neergevallen. Getuigen (getuige 18, getuige 20, getuige 21, getuige 22) verklaren dat nadat slachtoffer 1 op straat was gevallen (dat betekent: na de aanrijdingen) medeverdachte 2 door twee a vier anderen (onder andere door een man met een lange jurk) werd geslagen met een schep en/of stokken. Dit zou links voor de supermarkt zijn gebeurd, ongeveer op vijfentwintig meter afstand van het lichaam van slachtoffer 1. Het staat voor de rechtbank vast dat na het neersteken van slachtoffer 1 medeverdachte 2 fors is geattaqueerd, maar niet voldoende is komen vast te staan wie daarvoor verantwoordelijk zijn.

Om circa 16.41.51 uur (foto 28 en 55 en getuige 16) is te zien dat de Renault Laguna na de aanrijdingen niet het parkeerterrein afrijdt, maar na linksom te zijn gedraaid weer boven in beeld is te zien rijdende in de richting van de aldaar nog geparkeerde BMW Cabrio. Vervolgens stopt hij kennelijk even, want de inmiddels gearriveerde politie, verbalisant W., ziet de Renault Laguna met daarin medeverdachte 1 staan en geeft hem aan dat hij daar moet blijven. De auto rijdt echter snel weg. Op de foto's 29 t/m 31 (16.42.00 t/m 16.42.02 uur) - in combinatie met de bewegende beelden - is te zien dat de BMW Cabrio en de Renault Laguna samen wegrijden.

Om 16.42.00 t/m 16.42.07 uur (foto's 29 t/m 39 en foto 58) is te zien hoe medeverdachte 2, ondersteund door een manspersoon van links (moskeekant) naar rechts (glasbakkant) voor de supermarkt langs door het beeld strompelt en dat slachtoffer 2 hem dreigend achterna loopt met slagwapens in de hand.

Slachtoffer 1 is ter plaatse aan zijn steekverwonding overleden. Slachtoffer 3 is door de steekwonden in zijn rug aan lever en milt geraakt en meteen in het ziekenhuis geopereerd en hij heeft daar zes dagen gelegen. Slachtoffer 2 heeft een hoofdwond opgelopen die is gelijmd. Slachtoffer 4 heeft verwondingen opgelopen van geringe aard.

Medeverdachte 2 heeft diverse kneuzingen en schaafwonden, een hoofdwond en een hersenschudding opgelopen en hij heeft vier dagen in het ziekenhuis gelegen. Medeverdachte 3 heeft verwondingen opgelopen aan zijn handen, en verwondingen aan beide knieën. Verdachte heeft een forse bloeduitstorting aan zijn rechterzij opgelopen.

De hele confrontatie heeft circa één minuut en dertig seconden geduurd.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1: voorbedachte rade

Vast staat dat slachtoffer 1 door verdachte met een mes ter hoogte van de schouder is gestoken. Slachtoffer 1 is, zoals reeds is aangeven, als gevolg van de steekwond ter plaatse overleden.

De vraag moet worden beantwoord of verdachte het vooropgezette plan heeft gehad om slachtoffer 1 te doden.

De rechtbank stelt eerst vast dat het steken van verdachte niet op zichzelf staat, maar het trieste slotstuk is van een lange reeks gewelddadigheden en bedreigingen van de kant van verdachte (en zijn broers) jegens leden van de familie B. De rechtbank wijst in dit verband op: - een veroordeling van verdachte in verband met gewelddadige incidenten tegen de familie B. in mei en september 2004; - een reeks van meldingen/aangiftes vanaf mei 2004 door de familie B. tegen verdachte en zijn broers; - verklaringen van getuigen dat de broers M. op 22 en 23 maart 2005 op of nabij het winkelcentrum De Clomp te Zeist op zoek zijn naar de familie B., waarbij opvalt dat meerdere getuigen aangeven dat de familie van verdachte daar normaliter niet komt.

Gelet op het bovenstaande stelt de rechtbank vast dat de sfeer en de verhouding tussen de beide families uiterst precair was en op scherp stond. Verdachte en zijn broers waren op 24 maart 2005 uit op een gewelddadige confrontatie met de familie B., kort nadat een broer van verdachte, medeverdachte 3, door twee zonen van B. van het parkeerterrein De Clomp was weggejaagd. Deze was daarover zeer boos. Medeverdachte 3 heeft zijn vier broers waaronder verdachte per mobiel gewaarschuwd, zij hebben zich verzameld en zijn meteen in drie auto's naar De Clomp gereden, voorzien van slagwapens. Verdachte en zijn broers zijn daar meteen het gevecht aangegaan. Verdachte wordt hierbij door getuige 6 aangewezen als degene die op slachtoffer 1 afliep en hem met een stok op het hoofd slaat en met een mes in de borst steekt, waarna verdachte hard weg zou zijn gelopen. Ook getuige 23 ziet één van de vier mannen uit de auto's rechtstreeks naar slachtoffer 1 rennen met voorwerpen in zijn handen.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van de verklaringen van de getuigen Getuige 10, getuige 24, getuige 6, getuige 3, getuige 4 en getuige 5. Deze verklaringen houden onder meer in -kort gezegd-: - Getuige 10: hoort van getuige 25 dat de vader M. tegen getuige 25 heeft gezegd, dat hij geen verzoeningspoging meer wilde en dat hij het moment afwacht dat verdachte uit de gevangenis komt en dat slachtoffer 1 dan zal doodgaan; - Getuige 24: meerdere keren van mensen gehoord dat verdachte heeft gezegd/gezworen dat hij slachtoffer 1 eens zou vermoorden; - Getuige 6: heeft in de Marokkaanse gemeenschap gehoord dat verdachte, wanneer hij uit de gevangenis zou komen, slachtoffer 1 zou vermoorden. Heeft ook gehoord dat vader M. heeft gezworen dat slachtoffer 1 vermoord zou worden. Dit omdat vader M. ongeveer anderhalf jaar geleden gewond is geraakt in een confrontatie van de M's met de B's. Dit was algemeen bekend in de Marokkaanse gemeenschap. Dit wordt bloedwraak genoemd; - Getuige 3: heeft van vader M. gehoord: slachtoffer 1 gaat dood; - Getuige 4: heeft gehoord op 7 maart 2005 van verdachte: "Ik heb nog een aardappeltje te schillen. Ik neem wraak"; - Getuige 5: verdachte zei dat hij iemand van de B. familie ging vermoorden.

De omstandigheid dat verdachte een mes mee heeft genomen naar het gewelddadige treffen tussen zijn familie en de familie B., dit treffen slechts anderhalve minuut heeft geduurd en verdachte in die zeer korte tijd vanuit de auto naar slachtoffer 1 is gerend en hem meteen heeft neergestoken, bezien in het licht van de uitlatingen die door hem en zijn vader zijn gedaan over een op handen zijnde wraakactie op slachtoffer 1, brengt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte met voorbedachten rade de kans die de vechtpartij hem bood heeft benut om slachtoffer 1 dood te steken.

Alles overziende is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte onder 2 primair is ten laste gelegd. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair op de eerste plaats, 2 subsidiair, 3 primair op de eerste plaats ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze als hieronder is vermeld.

1 primair op de eerste plaats hij op 24 maart 2005 te Zeist opzettelijk en met voorbedachten rade slachtoffer 1 van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na beraad en overleg die slachtoffer 1 met een mes in het lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde slachtoffer 1 is overleden.

2 subsidiair hij op 24 maart 2005 te Zeist met anderen op de openbare weg, te weten op de parkeerplaats bij De Clomp, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen slachtoffer 4 en slachtoffer 2, welk geweld bestond uit het met slagwapens slaan en trappen van eerdergenoemde slachtoffer 4 en slachtoffer 2.

3 primair op de eerste plaats hij op 24 maart 2005 te Zeist ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk slachtoffer 3 van het leven te beroven, met dat opzet slachtoffer 3 met een mes meermalen in het lichaam heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1 primair op de eerste plaats, 2 subsidiair en 2 primair op de eerste plaats telkens meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.


De strafbaarheid van de feiten

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ter zake van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten heeft gehandeld uit noodweer, nu er sprake was van respectievelijk een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van slachtoffer 1 jegens verdachte en van slachtoffer 3 tegen verdachtes broer medeverdachte 2, waartegen verdachte zich noodzakelijk diende te verdedigen, zodat hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer.

Voor een geslaagd beroep op noodweer moet het handelen van verdachte geboden zijn geweest door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. In ogenschouw nemende hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de feiten en omstandigheden betreffende de confrontatie op 24 maart 2005 is de lezing van verdachte, inhoudende dat hij werd aangevallen door slachtoffer 1, niet aannemelijk geworden. De rechtbank is op geen enkele wijze gebleken van een aanval van de zijde van slachtoffer1 waartegen verdachte zich moest verdedigen. Van een wederrechtelijke aanranding die verdediging noodzakelijk maakte was dan ook geen sprake. Evenmin is aannemelijk geworden dat medeverdachte 2, op het moment dat verdachte slachtoffer 3 tweemaal met een mes in zijn rug stak, verkeerde in een situatie die verdediging noodzakelijk maakte. De rechtbank gaat er juist vanuit dat het moment waarop medeverdachte 2 werd geattaqueerd -en zich mogelijkerwijs bevond in een situatie die verdediging noodzakelijk maakte- eerst plaatshad nadat verdachte slachtoffer 3 in zijn rug heeft gestoken.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair op de eerste plaats, 2 subsidiair en 3 primair op de eerste plaats bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van het onder 1 primair op de eerste plaats bewezenverklaarde.

Moord.

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde.

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Ten aanzien van het onder 3 primair op de eerste plaats bewezenverklaarde.

Poging tot doodslag.


De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.


Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 24 maart 2005 met zijn broers zonder enige noodzaak bewust de confrontatie opgezocht met leden van de familie B. door zich met auto's naar de De Clomp te Zeist te begeven, voorzien van slagwapens, terwijl zij wisten dat slachtoffer 1 en een aantal van zijn zonen zich aldaar in de nabijheid van de moskee bevonden. Tijdens de openlijke geweldpleging die ontstond, in de bewezenverklaring onder 2 nader omschreven, heeft verdachte zonder meer zijn mes getrokken en slachtoffer 1 op buitengewoon lafhartige wijze ter hoogte van zijn schouder gestoken, als gevolg waarvan slachtoffer 1 ter plekke is overleden. Verdachte heeft door aldus te handelen blijk gegeven van een groot gebrek aan respect voor het leven van een medemens.

Verdachte heeft door zijn handelen de familie van slachtoffer 1 onherstelbaar en onbeschrijflijk leed toegebracht, met name de echtgenote en zijn kinderen. Dit blijkt ook uit de stukken waarin een gezin wordt beschreven dat worstelt om de draad van het leven weer op te pakken.

Verdachte heeft voorts slachtoffer 3 tot tweemaal toe in zijn rug gestoken. Bij het slachtoffer is hierdoor zodanig letsel veroorzaakt, dat hij een operatie heeft moeten ondergaan. De omstandigheid dat het slachtoffer het leven niet heeft verloren is een gelukkige, die geenszins aan verdachte is te danken. Algemeen bekend is dat slachtoffers van dergelijke levensbedreigende situaties nog lange tijd hinder kunnen ondervinden van psychische klachten in de vorm van onder andere angstgevoelens.

Het ernstige gevolg van met name het onder 1 bewezenverklaarde en de wijze waarop het bewezenverklaarde handelen is uitgevoerd dragen een voor de rechtsorde schokkend karakter en brengen in de samenleving in het algemeen, en de omgeving van het gebeurde in het bijzonder, gevoelens van angst en onveiligheid teweeg, temeer nu dit feit op klaarlichte dag is gepleegd op een parkeerplaats, nabij een winkelcentrum en een moskee, in aanwezigheid van vele omstanders. Bovendien heeft het gebeurde een grote impact gehad op de Marokkaanse gemeenschap te Zeist.

De rechtbank neemt in aanmerking dat deze fatale dag is voorafgegaan door een periode van ruim een jaar waarin de familie B. heeft geleefd in angst voor (gewelddadige) acties van de zijde van de familie M. De rechtbank leidt dit onder meer af uit de omstandigheid dat het merendeel van de eerdere meldingen van incidenten afkomstig is van leden van de familie B., en ook op 24 maart 2005 wordt uiting gegeven aan deze angst doordat slachtoffer2 meteen de politie telefonisch verzoekt ter plaatse te komen.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij het bewezenverklaarde heeft begaan zeer kort nadat hij uit de detentie is ontslagen, te weten op 7 maart 2005, terwijl deze vrijheidsontneming eveneens verband hield met een gewelddadig treffen tussen leden van de beide families.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 31 maart 2005, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld ter zake van geweldsdelicten tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen;

- een persoondossier betreffende de verdachte d.d. 2 april 2005, inhoudende onder meer een rapport van het Pieter Baan Centrum uit 1998, waaruit blijkt dat de verdachte toentertijd weigerde om mee te werken aan de totstandkoming van een gedragskundig onderzoek;

- de omstandigheid dat de verdachte (wederom) iedere medewerking aan de totstandkoming van een voorlichtingsrapportage weigert, zodat de rechtbank geen volledig beeld heeft kunnen verkrijgen omtrent de persoon van verdachte.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1 primair op de eerste plaats, 2 primair en 3 primair op de eerste plaats ten laste gelegde feiten onder meer wordt veroordeeld tot -kort gezegd- een levenslange gevangenisstraf.

De rechtbank acht, alles afwegende, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan met deze straf, die lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan, nu verdachte ter zake van het onder 2 primair ten laste gelegde feit wordt vrijgesproken en gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij slachtoffer 4

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. Gelet op de inhoud van de vordering gaat de rechtbank er vanuit dat de vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, te weten een bedrag van € 230,00 wegens materiële schade en een bedrag van € 12.000,00 wegens immateriële schade.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij zich gedeeltelijk leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door de ten aanzien van verdachte onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de benadeelde partij een aanmerkelijk immateriële schade heeft geleden, gezien de wijze waarop en de omstandigheden waaronder hij het slachtoffer is geworden van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten. De vaststelling van de precieze omvang van deze schade acht de rechtbank niet van zodanig eenvoudige aard, dat zij dit kan doen in het kader van een strafvervolging tegen verdachte. Niettemin acht de rechtbank aannemelijk dat de immateriële schade tenminste € 10.000,00 bedraagt en zij zal dit bedrag dan ook toewijzen, terwijl de benadeelde partij desgewenst het meerdere van zijn vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De materiële schade wordt begroot op € 95,00 (jas en broek). De vordering zal daarom tot een totaalbedrag van € 10.095,00 worden toegewezen.

Hetgeen door de benadeelde partij meer of anders is gevorderd, te weten het overige deel van de opgegeven materiële schade, zal moeten worden afgewezen, nu de hoogte van deze schade niet aannemelijk is geworden.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

De verdachte is op de voet van de artikelen 6:6 e.v. BW niet tot vergoeding gehouden indien en voor zover het toegewezen bedrag reeds door (een) mededader(s) is voldaan. Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De vordering van de benadeelde partij slachtoffer 2

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. Gelet op de inhoud van de vordering gaat de rechtbank er vanuit dat de vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, te weten een bedrag van € 2.010,00 wegens materiële schade, een bedrag van € 12.500,00 wegens immateriële schade en een bedrag van € 90,00 wegens kosten voor rechtsbijstand.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij zich gedeeltelijk leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door de ten aanzien van verdachte onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de benadeelde partij een aanmerkelijk immateriële schade heeft geleden, gezien de wijze waarop en de omstandigheden waaronder hij het slachtoffer is geworden van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten. De vaststelling van de precieze omvang van deze schade acht de rechtbank niet van zodanig eenvoudige aard, dat zij dit kan doen in het kader van een strafvervolging tegen verdachte. Niettemin acht de rechtbank aannemelijk dat de immateriële schade tenminste € 10.000,00 bedraagt en zij zal dit bedrag dan ook toewijzen, terwijl de benadeelde partij desgewenst het meerdere van zijn vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De vordering zal daarom tot een bedrag van € 10.000,00 worden toegewezen.

Hetgeen door de benadeelde partij meer of anders is gevorderd, te weten de materiële schade, zal moeten worden afgewezen, nu de hoogte van deze schade niet aannemelijk is geworden.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op € 90,00, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

De verdachte is op de voet van de artikelen 6:6 e.v. BW niet tot vergoeding gehouden indien en voor zover het toegewezen bedrag reeds door (een) mededader(s) is voldaan. Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De vordering van de benadeelde partij slachtoffer 3

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. Gelet op de inhoud van de vordering gaat de rechtbank er vanuit dat de vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten, te weten een bedrag van € 12.500,00 wegens immateriële schade.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij zich gedeeltelijk leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door de ten aanzien van verdachte onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de benadeelde partij een aanmerkelijk immateriële schade heeft geleden, gezien de wijze waarop en de omstandigheden waaronder hij het slachtoffer is geworden van de onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten. De vaststelling van de precieze omvang van deze schade acht de rechtbank niet van zodanig eenvoudige aard, dat zij dit kan doen in het kader van een strafvervolging tegen verdachte. Niettemin acht de rechtbank aannemelijk dat de immateriële schade tenminste € 10.000,00 bedraagt en zij zal dit bedrag dan ook toewijzen, terwijl de benadeelde partij desgewenst het meerdere van zijn vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De vordering zal daarom tot een bedrag van € 10.000,00 worden toegewezen.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

De verdachte is op de voet van de artikelen 6:6 e.v. BW niet tot vergoeding gehouden indien en voor zover het toegewezen bedrag reeds door (een) mededader(s) is voldaan. Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.


De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 141, 287 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.


DE BESLISSING:

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair op de eerste plaats, 2 subsidiair en 3 primair op de eerste plaats ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor is vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 primair op de eerste plaats, 2 subsidiair en 3 primair op de eerste plaats telkens meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 18 (ACHTTIEN) JAREN.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij slachtoffer 4, wonende te Zeist, ten dele toe tot een bedrag van € 10.095,00 (zegge tienduizend vijfennegentig euro). Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat verdachte van deze verplichting zal zijn bevrijd indien en voor zover dit bedrag door (een) mededader(s) is betaald.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering voor wat betreft het overige omschreven immateriële gedeelte en dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Wijst het overige van de vordering tot vergoeding van de materiële schade van de benadeelde partij af.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 10.095,00 (zegge tienduizend vijfennegentig euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 185 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde en/of (een) mededader(s) dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde en/of (een) mededader(s) voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Wijst de vordering van de benadeelde partij slachtoffer 2, wonende te Zeist, ten dele toe tot een bedrag van € 10.000,00 (zegge tienduizend euro). Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat verdachte van deze verplichting zal zijn bevrijd indien en voor zover dit bedrag door (een) mededader(s) is betaald.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op € 90,00 (zegge negentig euro), vermeerderd met de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering voor wat betreft het hiervoor omschreven immateriële gedeelte en dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Wijst het overige van de vordering tot vergoeding van de materiële schade van de benadeelde partij af.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 10.000,00 (zegge tienduizend euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 185 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde en/of (een) mededader(s) dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde en/of (een) mededader(s) voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Wijst de vordering van de benadeelde partij slachtoffer 3, wonende te Zeist, ten dele toe tot een bedrag van € 10.000,00 (zegge tienduizend euro). Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat verdachte van deze verplichting zal zijn bevrijd indien en voor zover dit bedrag door (een) mededader(s) is betaald.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering voor wat betreft het hiervoor omschreven gedeelte en dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.


Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 10.000,00 (zegge tienduizend euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 185 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde en/of (een) mededader(s) dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde en/of (een) mededader(s) voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.


Dit vonnis is gewezen door mrs. R.J.A. Meertens-Zeeman, A. Muller en A.J.P. Schotman bijgestaan door mr. J. Benard als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 maart 2006.